Mineralen en Vitaminen

Essentiële voedingsstoffen

auteur Dr. Anneke Hallebeek Voedingsadviespaard.nl

Het paard heeft dagelijks een hele reeks voedingsstoffen nodig om het lichaam normaal te laten functioneren en in stand te houden. Naast eiwitten (aminozuren), koolhydraten en vetten zijn een aantal mineralen, spoorelementen en vitaminen essentieel. Al deze elementen moeten in voldoende mate in het voer voorkomen. Tekorten (deficiënties) of overschotten (intoxicaties) moeten voorkomen worden.

Behoefte aan essentiele voedingsstoffen

Waardoor wordt de behoefte bepaald?

Het paard heeft dagelijks een hele reeks voedingsstoffen nodig om het lichaam normaal te laten functioneren en in stand te houden. Naast eiwitten (aminozuren), koolhydraten en vetten zijn een aantal mineralen, spoorelementen en vitaminen essentieel. Al deze elementen moeten in voldoende mate in het voer voorkomen. De hoeveelheid die het paard van een bepaalde voedingsstof nodig heeft, wordt bepaald door het dagelijkse verlies aan deze stof. Dit verlies kan opgesplitst worden in twee delen:

Onvermijdelijke verliezen

Elk paard verliest dagelijks haren, hoefhoorn, huidschilfers, verteringsenzymen, afgestoten darmwandcellen, etc. Deze substanties bevatten elk hun specifieke stoffen die weer aangevuld moeten worden.

Retentie

Retentie oftewel het vastleggen van voedingsstoffen zodat deze niet meer in aanmerking komen voor (her)gebruik. Zo wordt bijvoorbeeld calcium tijdens de groei vastgelegd in het botweefsel, en in geval van melkproduktie met de melk uitgescheiden. Tijdens de dracht worden voedingsstoffen in het veulen vastgelegd en tijdens arbeid wordt natrium met het zweet uitgescheiden. In al deze situaties zal de dagelijkse behoefte meer zijn dan voor een paard in rust.

Het totaal aan onvermijdelijke verliezen en retentie moet dagelijks door het lichaam worden opgenomen. Niet alle voedingstoffen uit het voer komen in het lichaam terecht. Tijdens de vertering in het maagdarmkanaal verdwijnen voedingsstoffen met de mest weer mee naar buiten. De absorptiecoëfficient per voedingsstof bepaald hoeveel er in het voer nodig is om voldoende van deze stof in het lichaam te krijgen. Dit is de minimale hoeveelheid oftewel de minimale norm/behoefte van deze stof. Ter compensatie van complexvorming met andere stoffen of andere verliezen wordt de minimale norm meestal met een bepaalde marge verhoogd. Deze hoeveelheid wordt uiteindelijk de norm of de dagelijkse behoefte genoemd.

Normen

Een voedernorm voor mineralen, spoorelementen en vitaminen voor paarden werd tot voor kort niet in Nederland uitgegeven. In 2013 komt daar verandering in. Tot nu toe zijn altijd de normen uit het buitenland gebruikt. Verschillende organisaties in het buitenland publiceren normen voor paarden. Deze tonen echter een aanzienlijk variatie. Dit kan veroorzaakt worden doordat andere uitgangspunten zijn genomen of omdat de één minimale normen en de ander "optimale" normen weergeeft. Het is vaak moeilijk te achterhalen waar de normen op gebaseerd zijn. Zo wordt de behoefte aan natrium door de duitse organisatie DLG voor paarden die zware arbeid verrichten gesteld op 0.14 g Na per kg LG en door de amerikaanse organisatie NRC op 0.07 g Na/kg LG.

Dit grote verschil in natriumbehoefte tussen NRC en DLG wordt veroorzaakt in de te verwachten zweetproduktie. De natriumbehoefte van het DLG is gebaseerd een zweetproduktie van 5 L per 100 kg LG per dag, terwijl het NRC een zweetproduktie van circa 2 L aanhoudt. Niet-werkende paarden kunnen met weinig natrium toe, maar met zweet kan veel verloren gaan. Als vuistregel voor zweetverlies wordt aangehouden 1 L/100 kg LG/uur bij matige arbeid en temperatuur van 18-20 °C. Bij zware arbeid kunnen paarden wel 15-20 kg zweet in enkele uren verliezen. Het is niet voor elke voedingsstof in elke situatie waar het paard in verkeren kan onderzocht wat de behoefte is. Dus worden vaak normen van andere diersoorten geëxtrapoleerd naar de situatie van het paard.

Normen kunnen op verschillende manieren worden weergegeven, per kg ds voer, per kg lichaamsgewicht of per energie eenheid voer. Dit maakt de vergelijking van diverse nomen niet eenvoudiger.

Mineralen en spoorelementen

Het verschil tussen mineralen en spoorelementen is arbitrair. Een grens kan worden getrokken bij de dagelijkse hoeveelheid die nodig is. De behoefte aan mineralen wordt weergegeven in grammen per dag en spoorelementen in milligrammen per dag. De behoefte van paarden aan mineralen en spoorelementen kan worden afgeleid uit voederproeven of worden berekend uit de verliezen die optreden met bijvoorbeeld melkproductie of zweet en de (verwachte) absorptiecoëfficient in het maagdarmkanaal. In de praktijk blijkt dat de normen tussen verschillende landen enorm kunnen verschillen.Deze verschillen kunnen veroorzaakt worden door een verschil in interpretatie van onderzoek, het wel of niet in acht nemen van bijvoorbeeld een veiligheidsmarge, of het verschil in doelstelling de één streeft naar een minimale voorziening en de andere naar optimale gehaltes voor maximale producties (prestaties).

Essentiële mineralen zijn calcium (Ca), fosfor (P), magnesium (Mg), natrium (Na), kalium (K), chloor (Cl) en zwavel (S).

Natrium, Kalium en Chloor

Deze elementen zijn van groot belang voor het in stand houden van de osmolaliteit van de lichaamsvloeistoffen en de vochthuishouding van het lichaam. In het maagdarmkanaal worden zowel natrium, kalium als chloor erg goed geabsorbeerd. Overschotten worden met de urine uitgescheiden. Paarden die zware arbeid verrichten kunnen aanzienlijke hoeveelheden natrium en chloor verliezen via het zweet, zeker bij een hoge omgevingstemperatuur. Het verlies kan oplopen tot circa 60 g keukenzout per dag (3,1 g Na en 5,5 g Cl/l zweet). Kalium wordt in mindere mate met zweet uitgescheiden (1,6 g K/l zweet). Plantaardige voedermiddelen zijn relatief arm aan natrium, maar rijk aan kalium en chloor. In mengvoeders wordt natrium (als NaCl) toegevoegd. Een tekort aan natrium kan zich uitten in een verminderde eetlust, likzucht en een droge stugge huid. Een aanvulling kan makkelijk gegeven worden in de vorm van een liksteen, mits er voldoende water beschikbaar is. Bij beperkte wateropname kan een overmaat aan zoutopname leiden tot een zoutintoxicatie. Ook dit gaat gepaard met een verminderde voeropname en met een stijging van de bloeddruk.

Calcium en fosfor

Calcium en fosfor zijn nodig voor een goede opbouw (mineralisatie) van het bot, maar ook voor een goede functie van spieren, zenuwen, enzymen en stofwisselingsprocessen. 99% van het calcium en 80% van het fosfor in het lichaam is aanwezig in botweefsel. Door middel van hormonale regulatiesystemen wordt gezorgd dat het calciumgehalte in het bloed binnen bepaalde grenzen blijven. De absorptie van calcium wordt beïnvloedt door de hoeveelheid en de vorm waarin fosfor in het voer voorkomt, door de hoeveelheid calcium in het voer en door de vitamine D voorziening. Fosfaat kan in plantaardige grondstoffen (met name granen) voor een groot deel (> 50%) gebonden zijn aan fytinezuur, waaruit het fosfaat niet vrijkomt in de darm en dus ook niet voor absorptie beschikbaar is. Dit fytinezuur kan ook slecht oplosbare complexen vormen met calcium, zink en ijzer. Door deze complexvorming wordt de beschikbaarheid van deze elementen voor absorptie verlaagd.

Van oudsher wordt de verhouding tussen calcium en fosfaat in het rantsoen belangrijk geacht. Hoge gehalten calcium drukken de absorptie van fosfaat en hoge gehalten fosfaat de absorptie van calcium, waarschijnlijk door een grotere mate van neerslag van Ca-P complexen in de darm. Deze verhouding gaat pas een belangrijke rol spelen indien het voer voldoende van beide elementen én vitamine D bevat. Voor jonge groeiende paarden wordt een ideale verhouding geadviseerd van Ca:P van 1:1 tot 3:1 en voor volwassen paarden van 1:1 tot 5:1. Een tekort aan calcium kan leiden tot een verkeerde botvorming van jonge paarden en tot botontkalking bij volwassen paarden. Ook een overschot aan calcium kan leiden tot een gestoorde botstofwisseling en tot kalkafzetting in vaatwanden, nieren en longen. Hetzelfde geldt voor een tekort of overmaat aan fosfaat.

Magnesium

Magnesium komt voor in bot- en spierweefsel. Het is nodig voor de activering van bepaalde enzymen, voor het samentrekken van spieren en voor de prikkeloverdracht van zenuwen naar spieren. De absorptie van magnesium in de darm wordt niet hormonaal gereguleerd zoals bij calcium. Bij een hoger gehalte magnesium in de darminhoud wordt er relatief meer opgenomen dan bij een laag gehalte. Teveel opgenomen magnesium wordt via de nieren met de urine uitgescheiden. Onvoldoende magnesiumopname en absorptie komt bij paarden zelden voor. Pas bij zeer grote overdoseringen kan diarree ontstaan. De voedermiddelen bevatten over het algemeen voldoende magnesium. Jong gras kan weinig magnesium bevatten, maar de behoefte van paarden is relatief laag (in vergelijking met herkauwers) en daarom is een tekort niet snel te verwachten.

Essentiële spoorelementen zijn ijzer (Fe), koper (Cu), zink (Zn), mangaan (Mn), molybdeen (Mo), selenium (Se), cobalt (Co) en jodium (J).

IJzer

De grootste hoeveelheid ijzer in het lichaam is aanwezig in de vorm van hemoglobine in de rode bloedcellen. Hemoglobine transporteert zuurstof naar de weefsels. Daarnaast is ijzer ook aanwezig in spierweefsel en in een aantal enzymsystemen. IJzer uit plantaardige voedermiddelen worden matig geabsorbeerd. De absorptie kan worden belemmerd doordat ijzer complexen vormt met bepaalde stoffen, zoals fytaten, organische zuren en andere metalen (zink, koper en mangaan). Absorptiepercentages zijn laag en liggen rond de 5-10%. Een tekort aan ijzer leidt tot bloedarmoede. Doordat de absorptie gereguleerd wordt op darmcel niveau en er minder wordt geabsorbeerd bij een groot ijzeraanbod komt een overschot van ijzer niet snel voor. Wel kan een overschot aan ijzer in het rantsoen leiden tot minder opname van bijvoorbeeld koper of mangaan.

Koper

Koper is een essentieel onderdeel van een aantal belangrijke enzymen en speelt onder meer een rol in het transport van ijzer in het lichaam. Koper wordt in de dunne darm geabsorbeerd. Het koper uit planten en andere voedermiddelen is in beperkte mate te absorberen. Hoge zinkgehalten in het voer drukken de koper absorptie in de darm. De belangrijkste uitscheidingsroute van koper is galvloeistof dat in de dunne darm wordt uitgescheiden. Verschijnselen van een kopertekort kunnen zijn een dorre vacht, dikke gewrichten, bloedarmoede en diarree. Ook wordt soms een verminderde vruchtbaarheid en een verminderde afweer toegeschreven aan een kopertekort. Over de koperbehoefte van paarden zijn de meningen verdeeld. Volgens het NRC (Amerikaanse organisatie) moet het rantsoen 10 mg Cu per kg ds bevatten. Als voorwaarde wordt gesteld, dat het Zn-gehalte lager dan 250 mg per kg ds is. Zn in overmaat (>1000 mg Zn per kg ds) remt de absorptie van Cu. Anderen zijn van mening dat een gehalte van 20-25 mg Cu per kg ds voor groeiende paarden pas veilig is. Echter, alleen bij een gehalte lager dan 8 mg Cu per kg ds zijn afwijkingen in de botgroei van veulens vastgesteld. Omdat in veel voedermiddelen het kopergehalte lager is dan 10 mg per kg ds, kan een Cu-aanvulling van het rantsoen voor een groeiend paard gewenst zijn. Dit kan b.v. door krachtvoer/veulenbrok te verstrekken met een kopergehalte van 20-25 mg per kg ds. Veulens worden geboren met een kopervoorraad in de lever. Daar paardenmelk relatief arm is aan koper (3,5 mg Cu per kg ds) is bij de geboorte een voldoende hoge Cu-concentratie in de lever van veulens van groot belang. Biest (de eerste melk) bevat 2-5 keer zo hoge kopergehalten dan latere melk. Door mobilisatie van lever-Cu kan de onvoldoende opname gedurende de eerste levensmaand worden gecompenseerd. Het Cu-gehalte van de melk is niet te verhogen door meer Cu aan de merrie te verstrekken. De kopervoorraad in de lever van veulens bij de geboorte is wel afhankelijk van de Cu-voorziening van de merrie. Met 10 mg Cu per kg ds in het rantsoen wordt in de behoefte van drachtige merries voorzien. Overigens zijn hoge koperopnames bij paarden niet toxisch.

Zink

Zink activeert een aantal enzymen en speelt een rol in de handhaving van eiwitstrukturen. De absorptie van zink uit de dunne darm wordt negatief beïnvloed door fytinezuur en fosfaten. Zn-fosfaat is een onoplosbaar complex van waaruit zink moeilijk is op te nemen. In combinatie met calcium wordt een Zn-Ca-fytaat complex gevormd dat nog slechter oplosbaar is. Calcium remt de opname van zink dus alleen als er fytinezuur aanwezig is. Fytinezuur komt voor in granen. Het voer bevat meestal voldoende zink, tekorten en overschotten bij paarden zijn zeldzaam.

Selenium

Selenium is onderdeel van het enzym glutathionperoxidase (GSH-Px) en is betrokken bij het onschadelijk maken van zogenaamde peroxiden (zuurstofradicalen) die kunnen ontstaan bij de oxydatie van onverzadigde vetzuren. Onverzadigde vetzuren die in celwanden zijn ingebouwd kunnen in het lichaam worden omgezet in schadelijke stoffen, de peroxiden. Deze peroxiden kunnen de celwanden beschadigen en zo aanleiding geven tot een lokale ontstekingsreaktie. Zowel vitamine E als selenium spelen een rol in het voorkomen van het ontstaan van peroxiden (vitamine E) als het onschadelijk maken van eenmaal ontstane peroxiden (selenium). Bij een hoger aandeel van meervoudig onverzadigde vetzuren in het rantsoen stijgt ook de behoefte aan selenium en vitamine E. Selenium wordt in de dunne darm geabsorbeerd en uitgescheiden in de urine en de gal. Een tekort aan selenium (en vitamine E) kan leiden tot spierafbraak, ontstekingen in het vetweefsel en wellicht “aan de nageboorte blijven staan” van de merrie na het veulenen. Van selenium is bekend dat de behoefte en de toxische dosering relatief dicht bij elkaar liggen. Een chronische selenium vergiftiging kan leiden tot spierstijfheid, verlammingen, haaruitval (met name staart en manen), veranderingen in de hoef en gewichtsverlies. De voedermiddelen voor paarden bevatten meestal voldoende selenium. In tegenstelling tot bepaalde gebieden in Amerika komen hier geen planten voor met een (te) hoog seleniumgehalte.

Cobalt

Paarden kunnen in de blinde en dikke darm vitamine B maken. Eén van de B vitaminen is vitamineB12. Dit vitamine komt niet in plantaardige producten en dus niet in het dagelijkse rantsoen van paarden voor. Het paard is dus afhankelijk van zijn eigen productie door de bacteriën. Omdat cobalt onderdeel is van vitamine B12 is het essentieel om cobalt met de voeding op te nemen. Bij herkauwers kan een tekort nog wel eens optreden, maar bij paarden is dit onbekend.

Molybdeen, mangaan en jodium

Molybdeen is component van een enzym dat betrokken is bij de ijzerhuishouding, mangaan is onmisbaar voor de vorming van mucopolysacchariden (slijmcomplexen, bijv. gewrichtsvloeistof) en botweefsel en jodium is bestanddeel van het schildklierhormoon. Het rantsoen van paarden bevat onder normale omstandigheden voldoende van deze spoorelementen. Tekorten of overschotten zijn dan ook niet te verwachten.

Vitaminen

Vitaminen zijn meestal co-enzymen bij enzymatische processen in het lichaam. De dagelijkse behoefte is zeer gering en bedraagt vaak slechts enkele mg per dag. Zowel een tekort als een overmaat kunnen leiden tot afwijkingen die op den duur de dood tot gevolg hebben. Het duidelijke klinisch beeld van een specifiek vitamine tekort komt nog maar zelden voor. In de praktijk wordt echter meer gesproken over suboptimale vitaminevoorzieningen bij aspecifieke symptomen als een teruggang in prestaties, een verminderde weerstand of een verminderde vruchtbaarheid. De groep van vitaminen kan ingedeeld worden in vetoplosbare vitaminen (A,D,E en K) en wateroplosbare vitaminen (B en C).

Vetoplosbare vitaminen

Vitamine A (retinol) en caroteen

Vitamine A of retinol heeft tal van functies in het lichaam die ondermeer betrekking hebben op het functioneren van het oog, de slijmvliezen en de huid en de groei. Vitamine A komt niet in plantaardig materiaal voor. Maar paarden kunnen uit caroteen, wat wel in plantaardige voedermiddelen zit, vitamine A maken. Dit proces gebeurt in de wand van de dunne darm. Een deel van het caroteen wordt ook zo opgenomen en heeft waarschijnlijk ook zijn eigen funkties. Gras bevat veel caroteen maar tijdens het droogproces voor het maken van hooi gaat veel caroteen verloren. Ook tijdens de opslag van hooi daalt het caroteengehalte. Voor een goede absorptie en omzetting van caroteen in vitamine A is vet in het rantsoen nodig. Daarnaast moet ook gal aanwezig zijn om het meer wateroplosbaar te maken. Uitscheiding van vitamine A gaat via de gal en eventueel via de nier. Om in de urine uitgescheiden te kunnen worden moet het eerst omgezet worden in een wateroplosbare metaboliet. Een tekort aan vitamine A kan resulteren in een slechte groei en vruchtbaarheid, nachtblindheid en afwijkingen van slijmvliezen in luchtwegen en maagdarmkanaal. Verder kunnen aspecifieke klachten ontstaan ten gevolge van een verminderde weerstand. Hoge doseringen vitamine A kunnen leiden tot vergiftigingen omdat het opgeslagen wordt in de lever en slecht uit het lichaam wordt verwijderd. Omdat paarden voor hun vitamine A voorziening afhankelijk zijn van de omzetting uit caroteen en dit enigszins gereguleerd wordt komt een vergiftiging zelden tot niet voor. Dit kan alleen als synthetisch (dus “pure”) vitamine A in extreme dosering wordt toegediend.

Vitamine D

Vitamine D vormt een belangrijke schakel in het reguleren van het bloed calcium en fosfaat gehalte. De absorptie in de dunne darm hangt nauw samen met de vetabsorptie. In de huid kan een voorloper van vitamine D onder invloed van UV-straling in actief vitamine D worden omgezet. Vitamine D wordt in veel mindere mate in de lever opgeslagen dan vitamine A. De grootste voorraad van vitamine D zit in het bloed. Uitscheiding kan via de gal maar praktisch niet via de urine. Gras bevat weinig vitamine D maar na drogen in de zon (UV-straling) stijgt het vitamine Dgehalte. Als paarden binnen worden gehouden en geen vitamine D met het voer krijgen kan een tekort ontstaan. Hierdoor kan botontkalking optreden. Een sterke overdosering van vitamine D kan leiden tot verkalking in weefsels, met name in de nier, de longen en bloedvaatwanden.

Vitamine E

Vitamine E is de meest verbreide biologische antioxydant. Het beschermt oliën en vetten in voederstegen ranzig worden en beschermt ook caroteen, vitamine A en D tegen oxydatie. Ook in het lichaam werkt vitamine E als een antioxydant die onverzadigde vetzuren in celwanden beschermt. Onverzadigde vetzuren kunnen onder invloed van zuurstof omgezet (geoxydeerd) worden tot vrije radicalen (peroxiden). Deze giftige stoffen kunnen leiden tot verval en afbraak van cellen en zo een ontstekingsreaktie in gang zetten. Vitamine E komt voor in voedermiddelen die rijk zijn aan meervoudige onverzadigden vetzuren, zoals kiemolie, graanprodukten die de kiemen bevatten en bladrijke voedermiddelen (ook in gras). Het gehalte aan vitamine E is zeer variabel en onderhevig aan seizoensinvloeden. Ook bewerkingen zoals drogen, malen, verhitten en pelleteren verlagen het vitamine E gehalte. Tijdens de opslag van bijvoorbeeld hooi gaat vitamine E verloren. De absorptie van vitamine E gebeurt in de dunne darm en is afhankelijk van de vetvertering. Vitamine E passeert de placenta en de melkklier. De voorraad van het veulen bij de geboorte alsmede het gehalte van vitamine E in de melk is te beinvloeden via het rantsoen van de merrie. Vitamine E wordt opgeslagen in vet- en leverweefsel, daarom is het niet perse noodzakelijk iedere dag vitamine E op te nemen. Een tekort aan vitamine E gaat vaak samen met een tekort aan selenium en zou zich kunnen uitten in spieraandoeningen en vetontsteking. Vitamine E beschermt de celmembranen tegen schade door radikalen De produktie van radikalen neemt toe bij verhoogde celstofwisseling zoals tijdens arbeid. Verrijking van het rantsoen met extra vitamine E heeft tot gevolg dat er minder schadelijke radikalen worden gevomd, maar helaas is niet aangetoond dat de prestaties van paarden hierdoor verbeterde. In verhouding tot het totaal aantal radikalen dat gevormd wordt is de vermindering wellicht relatief weinig en daar komt bij dat de prestatie afhankelijk is van vele factoren. Op basis van de vitamine E status kan niet geconcludeerd worden dat arbeid de vitamine E behoefte van paarden verhoogt, noch dat extra vitamine E paarden tot grotere prestaties in staat stelt. Vitamine E is weinig toxisch.

Vitamine K

Vitamine K is nodig voor het bloedstollingsproces. De absorptie is afhankelijk van de vetverteringen absorptie. Opslag van vitamine K is beperkt. Groene bladeren zijn rijk aan vitamine K. Granen bevatten weinig vitamine K. In de blinde en dikke darm wordt vitamine K door de bacteriën geproduceerd. Het is onduidelijk in hoeverre het op die plaatsen ook geabsorbeerd kan worden bijhet paard. Waarschijnlijk wordt er ook in de dunne darm door daar aanwezige bacteriën vitamine K gemaakt. Het rantsoen zal de behoefte aan vitamine K kunnen dekken maar aangezien het ook in het maagdarmkanaal zelf gemaakt kan worden wordt er weinig op het vitamine K gehalte in het rantsoen gelet. Bij langdurige diarreeklachten waarbij de bacterieflora ernstig is verstoord is het verstandig het paard extra vitamine K te geven, eventueel via een injectie omdat de absorptie in de darm ook verstoord kan zijn. Een tekort kan leiden tot bloedingen. Vitamine K is weinig toxisch.

Wateroplosbare vitaminen

Vitamine B-complex

Vitamine B1 = thiamine, Vitamine B2 = riboflavine, Pantotheenzuur, Nicotinezuur (niacine), Vitamine B6 = pyridoxine, Foliumzuur, Vitamine B12 = cobalamine en Biotine.

Vitamine B-complex omvat meerdere vitaminen, die allen wateroplosbaar zijn. Omdat er praktischgeen reserves van worden aangelegd is het noodzakelijk dagelijks voldoende B-vitaminen in het rantsoen te hebben. Echter , paarden kunnen B-vitaminen maken en absorberen in de blinde en dikke darm. In principe maken bacteriën deze vitaminen ten behoeve van hun eigen functioneren, maar door een continu proces van groei en sterfte van bacteriën, komen de B-vitaminen vrij als de bacteriën na sterfte uit elkaar vallen. Alleen voor thiamine en riboflavine wordt een voederbehoefte genoemd. De overige zullen in voldoende mate in het rantsoen aanwezig zijn of worden gemaakt. Vitamine B12 komt niet in plantaardige producten voor dus deze moet altijd zelf geproduceerd worden. Tekorten van vitamine B komt eigenlijk niet voor. Alleen in gevallen van ernstige diarree is de kans aanwezig dat er een tekort ontstaat omdat de darmflora verstoort is en dienen B-vitaminen te worden toegediend. De funktie van de diverse B-vitaminen is verschillend maar ze zijn allemaal nodig voor het funktioneren van enzymsystemen in de stofwisseling. Het gaat hier te ver om daar dieper op in te gaan.

Biotine en hoefkwaliteit

De rol van biotine speelt zich onder andere af in de synthese van keratine, dat voorkomt in haren en hoefhoorn. De meeste rantsoenen bevatten voldoende biotine om de behoefte te dekken, daarnaast wordt ook in de dikke darm biotine aangemaakt. Het is dan ook niet waarschijnlijk dat een paard een biotine tekort krijgt. Toch wordt vaak biotine extra toegevoegd aan het rantsoen met name om de hoefgroei of hoefkwaliteit te verbeteren. Uit literatuuronderzoek blijkt dat toevoegen van biotine in een dosering van ca.20 mg per dag gedurende 5-12 maanden wel de kwaliteit van zogenaamde “brokkelhoeven” verbetert maar niet de groeisnelheid verandert. Deze dosering ligt ver boven de normale behoefte aan biotine. Men spreekt dan ook wel van de farmacologische dosering. Paarden met slechte kwaliteit hoeven hebben mogelijk hun leven lang extra biotine nodig.

Vitamine C (ascorbinezuur)

Vitamine C is voor paarden geen vitamine omdat deze dieren in de lever uit glucose vitamine C kunnen maken. Vitamine C is betrokken bij de synthese van bindweefsel, de ijzerstofwisseling, de bloedstolling en de afweer tegen infecties en stress.

Naar boven Disclaimer Paard en Gezondheid