Mayke Bons - Tempocontrole

In elke tak van de paardensport hoort tempocontrole bij de basis van het rijden.
Door Mayke Bons

In elke tak van de paardensport hoort tempocontrole bij de basis van het rijden. Bij een jong paard denk je dan in eerste instantie aan het onderscheid in de drie basis gangen (stap, draf en galop) maar dat is natuurlijk de ‘ruwste’ vorm van tempocontrole.

Voor de zwaardere dressuur-oefeningen en voor de optimale verzameling is controle van het tempo mede bepalend voor het eindresultaat. Maar ook in andere takken van de sport is het van groot belang het tempo te controleren. Als je tijdens een springparcours niet het juiste tempo kunt aanhouden, kan je er zeker van zijn, dat de springbalken niet allemaal op hun plek blijven liggen. Maar ook tijdens een gewone bosrit is het erg handig om zelf te kunnen bepalen in welk tempo je rijdt!

Dat klinkt allemaal vrij simpel en dat is het ook als je alleen van de drie basisgangen uitgaat. Maar op het moment dat je gaat werken aan het verzamelen en het uitstrekken van de gangen wordt het al een stuk ingewikkelder.

Bij het jonge paard ontstaat een disbalans zodra wij erop gaan zitten. Die disbalans is heel goed terug te voelen in het tempo van het paard. Zal het ene paard onder de ruiter wat rennerig worden, het andere zal enorm terugvallen in tempo en als het ware op de ‘rem’ gaan lopen. Wat dat laatste betreft: probeer je niet te ergeren aan een ogenschijnlijk te traag tempo, maar realiseer je, dat zijn jonge beentjes nog erg slap zijn ook al weegt hij 600 kg! Beter in een laag tempo ontspannen lopen dan in een hoger tempo spanning opbouwen. Ook kan het tempo ongecontroleerd veranderen: afwisselend snel en langzaam. In de wendingen zal het paard eerder terug komen in tempo om vervolgens op de lange zijde weer een spurt te nemen. Om het paard enigszins terug te brengen in balans is het van belang het tempo stabiel en regelmatig te krijgen. Probeer dan ook tijdens het rijden van wendingen hetzelfde tempo aan te houden als op de rechte stukken. Wanneer die controle er is kun je gaan werken aan verruimen en vertragen op commando. Dit is soms nog erg lastig omdat het paard, onder het gewicht van de ruiter, vaak nog moeite heeft om ontspannen te blijven waardoor het eerder zal versnellen en verkorten dan verruimen. Het is dus aan te raden hier heel geleidelijk mee te beginnen, zodat het paard geen extra spanning opbouwt tijdens deze oefening.

Hoe weet je als ruiter of je daadwerkelijk die controle over het tempo hebt dat je denkt te hebben?

Om tempowisselingen op de juiste manier te rijden, moet het paard goed aan de hulpen zijn. Als ruiter moet je je bewust zijn van je hulpen: een enkele beenhulp moet voldoende zijn om het paard te laten reageren. Datzelfde geldt voor een ophouding. Als ruiter moet je daar dus heel consequent in zijn en ervoor zorgen dat je zuinig bent met je hulpen. Zo min mogelijk hulpen, zoveel mogelijk reactie. Dan pas kun je de hulpen verfijnen. Uiteindelijk moeten de hulpen zo minimaal zijn dat een buitenstaander ze niet of nauwelijks kan zien.

Voorwaarts rijden

Een paard is goed voorwaarts als je het gevoel hebt, dat je paard je meeneemt in zijn beweging, dat je helemaal stil kunt zitten en niet steeds elke pas moet drijven om het paard in het gewenste tempo te houden. Veel mensen denken bij voorwaarts rijden aan een hoog tempo, maar dit is zeker niet altijd juist. Een paard kan ook voorwaarts zijn in een laag tempo en niet voorwaarts zijn in een hoog tempo.

Bij goed voorwaarts gaan plaatst het paard zijn achterbenen verder onder zijn lijf en kantelt het meer in zijn bekken, waardoor het meer stuwkracht ontwikkelt. Om die stuwkracht verder te ontwikkelen mag je de galop niet vergeten! Doordat de galop een gesprongen gang is vereist het de grootste stuwkracht en snelheid van de achterbenen. Als het paard meer kracht heeft ontwikkeld in de achterhand zal het terug rijden in tempo en het meer verzamelen steeds makkelijker worden.

Om ervoor te zorgen dat het paard constant alert blijft, is het rijden van schijn- overgangen een goede oefening om het paard te laten wachten op de hulpen. Zo kun je bijvoorbeeld tijdens het draven zover terugrijden in tempo (door zelf o.a. trager/ ‘kleiner’ te gaan lichtrijden) dat het paard bijna in stap overgaat. Precies op dat moment laat je het paard weer naar voren, naar de arbeidsdraf gaan (door o.a. ‘groter’ te gaan lichtrijden). Bovendien is dit een zeer goede kracht- en balanstraining. Het rijden van tempowisselingen kun je tijdens elk figuur of welke oefening dan ook toepassen.

Tempowisselingen tijdens het rijden van zijgangen bevordert de stuw- en draag kracht van de achterhand. Ook voorkom je op deze manier dat het paard ongemerkt teveel terug valt in tempo of juist over zijn tempo gaat tijdens deze oefeningen.

Tijdens het rijden van tempowisselingen mag het paard nooit zwaar in de hand zijn of worden! Als dit wel het geval is, kan het zijn dat je te snel of te veel vraagt op dat moment. Op het moment dat de aanleuning zwaarder wordt, verlegt het paard zijn zwaartepunt naar de voorhand en brengt het rijden van tempowisselingen juist een gevaar met zich mee: het paard draagt niet meer met de achterhand ! Heel belangrijk dus om het rustig op te bouwen en steeds korte stukjes te oefenen, zodat het paard niet overvraagd wordt of er een hekel aan krijgt.

Zorg er ook voor dat je niet op dezelfde plek eenzelfde oefening doet. Je paard is niet gek en werkwillig als hij is, zal hij, vooruit lopend op je hulpen, alvast met de verwachte oefening beginnen. Afwisseling in het rijden is daarom heel belangrijk.

Naar boven Disclaimer Vraag en antwoord