Maanblindheid

 

Maanblindheid

Achtergrond

De oogbol ligt goed beschermd in de oogkas en wordt omgeven door omliggende structuren zoals oogspieren, oogleden, traanklieren en traanbuisjes (zie figuur 1 onderaan de pagina). Naast het onder- en bovenooglid hebben paarden ook een derde ooglid. Het derde ooglid ontspringt vanuit de binnenste ooghoek.

 

De traanklieren zorgen ervoor dat het hoornvlies vochtig blijft en dat verontreinigingen weggespoeld worden. De talgklieren zijn te vinden in de rand van de oogleden en produceren een vettige stof wat ervoor zorgt dat het traanvocht niet te waterig wordt en dus een mooi laagje op het hoornvlies kan vormen. Daarnaast heeft deze stof een antibacteriële werking. De oogspieren maken het mogelijk om de oogbol in de oogkas te bewegen.

De oogbol is eigenlijk vergelijkbaar met een bolletje dat opgevuld is met vocht. De hele oogbol wordt omgeven door de harde oogrok, ook wel de sclera genoemd en dit is gedeeltelijk te zien bij het oog van het paard als “het wit van het oog”.

 

Deze structuur bestaat uit stevig bindweefsel. Aan de voorzijde van het oog gaat de sclera over in een doorzichtige laag, het hoornvlies (cornea; 1). Het hoornvlies bestaat uit meerdere lagen. Het epitheel, basaalmembraan, stroma, het membraan van Descemet en het endotheel. Het epitheel is het buitenste laagje, waarin veel zenuwuiteinden te vinden zijn. Een beschadiging van het hoornvlies is daarom vaak erg pijnlijk.

Het basaalmembraan zit direct onder het epitheel. Van daaruit worden nieuwe epitheelcellen aangemaakt. Het membraan van Descemet is een harde laag die het oog bescherming biedt tegen beschadigingen. Deze laag kan gezien worden als de scheiding tussen de binnenzijde van het oog en het hoornvlies. Daar tegen aan zit nog een laagje endotheel wat voor de voeding van het hoornvlies zorgt. Het hoornvlies bevat geen bloedvaten. Hierdoor kan het hoornvlies doorzichtig en helder zijn. Direct achter het hoornvlies ligt de voorste oogkamer (3) die gevuld is met vocht (kamerwater). De voorste oogkamer gaat over in de achterste oogkamer. Deze twee kamers worden van elkaar gescheiden door de iris (6). De iris (regenboogvlies) is een gekleurde spiervezellaag met een ronde of ovale opening (pupil). De iris regelt de hoeveelheid licht die in het oog valt door de pupil kleiner te maken bij veel licht en groter te maken bij schemering.

De pupil bij het paard is horizontaal ovaal met bloemkoolachtige vormsels (‘druivenpitten ’) aan de bovenkant, die bij het grazen helpen teveel zonlicht in het oog tegen te gaan.

 

De iris gaat aan de achterzijde over in het corpus ciliare. Deze structuur produceert het oogkamerwater. In de filtratiehoek wordt overtollig kamerwater afgevoerd waardoor er een continue verversing van het vocht in het oog plaatsvindt. De filtratiehoek bevindt zich in de voorste oogkamer in de hoek tussen hoornvlies en de basis van de iris. Achter de iris ligt de lens (7). Deze is met stevige vezels bevestigd met het corpus ciliare. Verder naar achteren bevindt zich het glasachtig lichaam. Dit is een soort geleiachtige massa van water en eiwit met aan de voorzijde een uitholling waar de lens in ingebed ligt. Mede met behulp van het glasachtig lichaam kan de oogbol haar druk behouden.

Helemaal achter in het oog liggen het netvlies (retina; 10) en het vaatvlies (choroidea). Het netvlies bestaat uit twee verschillende soorten cellen, de pigmentcellen en de zenuwcellen. De laag pigmentcellen wordt ook wel het tapetum lucidum genoemd. Dit is een reflecterende laag die het invallende licht weerkaatst. Op deze manier wordt ervoor gezorgd dat er bij bijvoorbeeld schemer het invallende licht versterkt wordt en er een beter zicht mogelijk is. De zenuwcellen worden ook wel fotoreceptorcellen genoemd en zijn lichtgevoelig. Dat wil zeggen dat zij geprikkeld worden door het invallende licht en dit signaal doorgeven via de oogzenuw (8) naar de hersenen die er vervolgens een beeld van kunnen vormen. De plaats waar de oogzenuw de oogbol binnen komt wordt de papil genoemd.

De zenuwcellen van het netvlies zijn onder te verdelen in twee groepen namelijk de staafjes en de kegeltjes. De staafjes zijn het meest gevoelig voor zwart-wit verschillen en deze zijn met name actief als er weinig licht is (tijdens schemer). De kegeltjes daarentegen zijn heel gevoelig voor kleuren en worden met name overdag bij voldoende licht geactiveerd. Het vaatvlies ligt tussen het netvlies en de harde oogrok in en heeft als taak om de zenuwcellen van voeding en zuurstof te voorzien.

Belangrijk om te weten in het kader van maanblindheid/ uveïtis is de betekenis van de uvea. De uvea is een verzamelnaam voor de choroidea (vaatvlies), het corpus ciliare en de iris. De taken van de uvea zijn het afplatten of bollen van de lens om scherp te zien, de productie van oogkamerwater, de voeding van de buitenste laag van het netvlies en het regelen van de hoeveelheid invallend licht.

Schematische tekening opbouw oog.

1) hoornvlies/ cornea; 2) ooglid; 3) voorste oogkamer; 4) corpus ciliare; 5) traanklier; 6) iris en pupil; 7) lens; 8) oogzenuw; 9) ooghaar; 10) netvlies/ retina; 11) talgklier.

Maanblindheid is een oogziekte bij paarden die vrij regelmatig en wereldwijd voorkomt. Het is een ontsteking van de uvea. Een ontsteking van de uvea wordt een uveïtis genoemd. De ziekte treedt acuut op, meestal aan één oog, maar kan ook aan beide ogen voorkomen. De aandoening recidiveert vaak wat inhoudt dat het steeds weer terug komt. Het treedt aanvalsgewijs op. De rustperiode tussen aanvallen kan heel kort zijn bijvoorbeeld enkele weken, maar kan ook enkele jaren duren. Iedere aanval veroorzaakt schade in het oog. In veel gevallen kan het paard na een aanval minder goed zien. Het paard kan na één of enkele aanvallen zelfs volledig blind worden.

Waardoor het wordt veroorzaakt, is nog steeds niet helemaal duidelijk. Op het moment dat de ziekte begint, is er geen andere oogziekte aanwezig. Er worden verscheidene factoren genoemd als oorzaak zoals klimatologische factoren, plaats gebonden factoren, voeding, bacteriën, virussen en parasieten. Deze factoren kunnen een rol spelen in de ontstekingsreactie. Ook wordt gedacht dat uveïtis een auto-immuun reactie is. Een auto-immuun reactie is een reactie van het afweersysteem tegen lichaamseigen weefsel. Het lichaam breekt dus eigen weefsel af. In het geval van maanblindheid zorgt het lichaam voor een ontstekingsreactie tegen de lichaamseigen uvea van het oog, waarbij afweercellen het oog binnen dringen.

Het zou zelfs kunnen dat het paard aanleg heeft voor een afwijkende auto-immuun reactie als gevolg van een eerdere aanraking met een virus (influenza, herpes, adenovirus), een bacterie (leptospiren, brucella, streptococen), een parasiet (oncocerca, toxoplasma) of ten gevolge van een verwonding aan het oog.

Op dit moment wordt er veel onderzoek gedaan naar de bacterie Leptospira Interrogans. Paarden kunnen in contact komen met deze bacterie door water of voeding op te nemen dat met rattenurine besmet is. Een besmet paard vertoont geringe klachten (minder eten, koorts, geelzucht), die vanzelf overgaan, maar drachtige merries kunnen daardoor aborteren.

Tijdens onderzoek is gebleken dat paarden met een uveïtis beduidend grotere hoeveelheden antistoffen tegen Leptospira in het glasvocht van het oog hadden. Antistoffen zijn eiwitten die helpen bij het herkennen en bestrijden van indringers zoals virussen en bacteriën.

Symptomen en diagnose

Symptomen aan het aangetaste oog zijn onder andere acute heftige pijnlijkheid wat zich uit in knipperen, het dicht knijpen van het oog, traanvloed en gevoeligheid voor licht. Ook kan vaatinjectie (adertjes) in het wit van het oog en een vochtophoping (oedeem) in het hoornvlies (cornea) ontstaan waardoor het hoornvlies blauw-wit van kleur en ondoorzichtig wordt. Het vocht in de voorste oogkamer is normaal gesproken helder maar wordt bij maanblindheid troebel. Dit komt omdat er ontstekingscellen, bloed en ontstekingsvocht ophopen in de voorste oogkamer. Soms is dit al te zien door met een lampje geschikt voor oogonderzoek in het oog te schijnen. Er kunnen dan pusvlokjes in de voorste oogkamer gevonden worden. De pupil vernauwt zich omdat de spiertjes van de iris heftig samentrekken. Dit versterkt de pijnlijkheid van de ontsteking. Het acute stadium gaat over in het chronische stadium. Er kunnen blijvende oogbeschadigingen ontstaan. In welke mate hangt af van de ernst van de aanval en of er op tijd een behandeling is ingesteld.

Onder blijvende oogbeschadigingen worden onder andere de vergroeiingen tussen de iris (regenboogvlies) en de lens verstaan. Tijdens de ontstekingsreactie wordt er namelijk fibrine aangemaakt, dit is een soort eiwit wat in dit geval de verklevingen tussen iris en lens veroorzaakt. De iris kan dan niet meer de hoeveelheid licht die in het oog valt reguleren en als de iris vastgroeit in een stand waarbij de pupil heel klein is, dan wordt het gezichtsvermogen van het paard sterk beperkt. De iris kan ook dunner worden en gaatjes vertonen. De lens en het kapsel van de lens worden troebel. De lens kan verschuiven ten gevolge van beschadiging van de ophangbandjes van de lens. Daarnaast kunnen er troebelingen in het glasvocht van het oog ontstaan door ontstekingscellen en fibrine kan zich hierin ophopen en uiteindelijk wordt de oogbol kleiner. De ernst en het aantal van deze oogbeschadigingen bepalen hoeveel een paard nog kan zien. Deze blijvende oogveranderingen kunnen al na één aanval ontstaan en zullen per aanval erger worden.

Therapie en prognose

Het is belangrijk om bij de eerste symptomen zo snel mogelijk een behandeling te starten om de schade ten gevolge van de ontstekingsreactie zoveel mogelijk te beperken. Omdat nog niet bekend is wat de oorzaak is van de maanblindheid, is de therapie erop gericht om de symptomen te verminderen. Wanneer de klachten verdwijnen moet de behandeling langzaam en onder toezicht van de dierenarts afgebouwd worden. De therapie is erop gericht om de ontsteking af te remmen, om de pijnlijkheid van het oog te verminderen en om ervoor te zorgen dat de pupil open gaat staan. Mocht de iris dan vergroeien aan de lens, dan gebeurd dit terwijl de pupil open staat en zal het paard het gezichtsvermogen niet volledig verliezen. De volgende medicijnen kunnen worden ingezet:

Corticosteroïden

Daarmee wordt de ontstekingsreactie geremd en de vorming van ontstekingsproducten verminderd. Zo zorgt het ook voor het ontstaan van minder fibrine waardoor er minder vergroeiingen ontstaan en gaat het de vorming van oedeem in het hoornvlies tegen. Ze worden toegediend als druppels of als zalf in het oogbindvlieszakje 6-8 maal per dag of onder het oogbindvlies door middel van een injectie.

Atropine

Atropine zorgt ervoor dat de pupil open gaat staan (mydriasis). Daardoor kunnen er ook minder vergroeiingen ontstaan en zorgt het voor minder pijnlijkheid van het oog. Atropine wordt gegeven als oogdruppel of als zalf 6-8 maal per dag.

NSAID’s

NSAID’s zijn middelen die pijnstillend, ontstekingsremmend en koortsverlagend werken, vergelijkbaar met paracetamol® voor humaan gebruik. Deze remmen dus ook de ontstekingsreactie en verminderen de pijnlijkheid van het oog. NSAID’s kunnen in het bloedvat gespoten worden of in de mond ingegeven worden. Als de ontstekingsreactie van het oog goed reageert op de medicijnen dan kunnen de atropine en de NSAID’s na 2 weken afgebouwd worden. De toediening van corticosteroïden moet zeker 3-4 weken doorgaan en kan daarna afgebouwd worden.

De prognose is matig. Maanblindheid is niet te genezen, wel onder controle te houden. Al is er op tijd een behandeling ingesteld en zijn er weinig blijvende oogbeschadigingen toch is er een kans dat het weer optreedt zowel aan hetzelfde oog als aan het andere oog. Het is belangrijk om een paard waarvan bekend is dat het ooit een aanval van maanblindheid heeft gehad goed in de gaten te houden en direct de dierenarts te bellen als de eerste symptomen zichtbaar worden. Uit de praktijk blijkt dat als een paard eenmaal maanblindheid heeft gehad, het over het algemeen terugkomt, maar dit kan heel lang duren (tot jaren) en als de therapie goed aanslaat is het een aandoening die in sommige gevallen goed onder controle is te houden. Het is van te voren niet te voorspellen hoe het zal lopen. Het kan heel ernstig zijn, maar het kan ook allemaal meevallen. Als het paard weinig tot niets meer kan zien maar wel een erg pijnlijk oog heeft kan overwogen worden om het oog te verwijderen. Het paard kan goed met één oog leven.

Omdat het een beetje vreemd gezicht is dat een paard een “kuiltje” heeft op de plek van de oogbol kan overwogen worden om en implantaatje in te brengen. De oogleden worden dan wel gesloten, maar het lijkt of er nog een oogbol zit. Dit heeft uiteraard alleen een cosmetisch voordeel.

Er is een mogelijkheid om ontstekingsproducten die achter blijven in het oog chirurgisch te verwijderen. Dit zou de kans op een nieuwe aanval verminderen. De operatie die vitrectomie (verwijdering van het glasachtig vocht) wordt genoemd wordt sinds een aantal jaren in Duitsland uitgevoerd. Het wordt alleen gedaan bij paarden die al twee keer een aanval aan het zelfde oog hebben gehad. Daarnaast mogen de blijvende beschadigingen niet zo ernstig zijn dat het gezichtsvermogen al ernstig is aangetast. Het paard moet nog wel redelijk kunnen zien.De operatie wordt gedaan in de rustperiode van het oog dus tussen twee aanvallen in. De resultaten van deze operatie zijn tot nu toe gunstig.

Neem altijd contact op met uw dierenarts als u bij uw paard één van bovenstaande symptomen opmerkt. De ingestelde therapie hangt van veel factoren af. Alleen uw dierenarts kan bepalen welke therapie op dat moment het beste is.

Naar boven Disclaimer Paard en Gezondheid