Diarree

Diarree

Diarree is geen ziekte maar een symptoom. Er zijn veel oorzaken van diarree. Er is sprake van diarree als de mest dunner is dan normaal en vaak is de frequentie van het mesten en het volume van de mest toegenomen. De mest kan slap gebald tot waterdun zijn.

Diarree

De therapie is afhankelijk van de ernst en de oorzaak van de diarree. Als een paard ernstige diarree heeft, verliest het veel vocht en zal daardoor uitdrogen. Om dit tegen te gaan krijgt het paard vloeistof infusen toegediend. Vaak verzuren deze paarden ook en moet de pH waarde van het bloed gecorrigeerd worden. Dit kan door bicarbonaat aan de infuusvloeistof toe te voegen. Bicarbonaat is een base en zorgt ervoor dat de pH van het paard weer hoger wordt.

Antibiotica kunnen toegediend worden als de diarree een bacteriële oorzaak heeft of om te voorkomen dat bacteriën de kans krijgen om aan te slaan op een moment dat het evenwicht in de darm verstoord is door een niet-bacteriële oorzaak van diarree. Ontstekingsremmers zoals NSAID’s (non steroid anti-inflammatory drug) of corticosteroiden zoals prednisolon kunnen soms een therapeutische waarde hebben als het nodig is om de ontstekingsreactie in de darm te verminderen. NSAID’s zijn geneesmiddelen die een pijnstillende, ontstekingsremmende en koortsremmende werking hebben vergelijkbaar met paracetamol voor humaan gebruik.

Verder zijn er nog middelen die een absorberend effect hebben zoals actieve kool (Norit®). Dit zorgt ervoor dat bepaalde stoffen geabsorbeerd (aan de kool hechten) worden en zo uit het darmkanaal verwijderd worden. Andere middelen hebben een beschermend effect op de slijmvlieslaag van de darm.

Als een paard diarree heeft, is de motiliteit (beweeglijkheid) van het maagdarmkanaal verhoogd. Als de motiliteit er hoog is, zal de darminhoud heel snel passeren, waardoor voedingsstoffen en water minder goed opgenomen kunnen worden. Door het toedienen van middelen die de motiliteit van het maagdamkanaal beïnvloeden, kan ervoor gezorgd worden dat de passagesnelheid van de darminhoud weer normaal wordt. Dit gaat diarree tegen, maar heeft als nadeel dat bijvoorbeeld ziekteverwekkende bacteriën ook langer in de darm blijven zitten.

Een andere mogelijkheid is het transfauneren. In de darmen van een paard zitten veel bacteriën die met elkaar in evenwicht zijn en het interne milieu van de darm in balans houden. Deze goede bacteriën zorgen ervoor dat ziekteverwekkende bacteriën weinig kans krijgen om aan te slaan. Dit doen ze onder andere door ervoor te zorgen dat er simpelweg geen plek meer over is voor ziekteverwekkers om aan te hechten aan het darmslijmvlies. Vaak is het evenwicht tussen al die goede bacteriën verstoord als een paard langere tijd diarree heeft. Om het herstel te bevorderen kan het paard getransfauneerd worden. Dat wil zeggen dat er goede bacteriën van een gezond paard in de darmen van het paard met diarree gebracht worden. Dit kan simpelweg door wat mest van een gezond paard op te lossen in water en met behulp van een maagsonde toe te dienen bij het zieke paard. Een maagsonde wordt door de dierenarts via de neus en slokdarm in de maag gebracht.

Veulens worden geboren zonder bacteriën in de darm. Deze bacteriën nemen ze op uit de omgeving, via bijvoorbeeld de mest van de merrie, om zo hun eigen darmflora te ontwikkelen. Er zijn ook producten die goede bacteriën bevatten die de darmflora van een paard kunnen verbeteren. Dit worden probiotica genoemd en zijn vergelijkbaar met bijvoorbeeld Yakult® voor humaan gebruik.

De oorzaken van diarree zijn talrijk en staan hieronder genoemd. Voor verder informatie over specifieke oorzaken kan bij de desbetreffende aandoening gekeken worden.

Oorzaken van diarree die alleen bij het veulen voorkomen

  • E.coli (bacterie)
  • Virussen (Rota en Corona)
  • Strongyloides westeri (worm)
  • Rhodococcus (bacterie)
  • Cryptosporidium (protozo)

Oorzaken van diaree bij paarden van alle leeftijden

  • Salmonella
  • Rode bloedworm
  • Zand
  • Colitis X (clostridium)
  • Virussen ( zie EAV of influenza)
  • Chronische darmontstekingen (Granulomateuze enteritis en Eosinofiele granulomatose)
  • Zweren in de dikke darm (Ulceratieve colitis)
  • Lymfosarcoom van de darm
  • Diarree veroorzaakt door voeding
  • Maagtumor (plaveiselcelcarcinoom)
  • Dysbacteriose

Diarree bij veulens

E.Coli infectie

Achtergrond

E.Coli is een bacterie die ernstige diarree kan veroorzaken bij het veulen. De bacterie kan over het algemeen alleen voor ziekte zorgen tijdens de eerste vier levensdagen van het veulen. De bacterie wordt opgenomen uit de omgeving die daar normaal aanwezig is. Het veulen is beschermd tegen deze bacteriën door de antilichamen in de biest van de merrie en omdat de zuurtegraad in de maag heel hoog is. Hierdoor worden de bacteriën al gedeeltelijk uitgeschakeld in de maag. Antilichamen zijn eiwitten die helpen bij het herkennen en bestrijden van indringers zoals virussen en bacteriën.

Behalve diarree kan E.Coli ook sepsis veroorzaken. Dit wil zeggen dat er bacteriën en of toxinen (giftige stoffen geproduceerd door bacteriën) in de bloedbaan terecht komen en elders in het lichaam voor problemen zorgen. Meestal worden de gewrichten aangedaan, wat resulteert in een gewrichtsontsteking en daardoor overvulling (vochtophoping in het gewricht) van het gewricht. Later kan er ook een ontsteking van de vliezen in de buikholte en/of borstholte ontstaan waarbij ontstekingsvocht gevormd wordt. Gelukkig komt dit bij het veulen niet zo vaak voor en blijft de E.Coli infectie beperkt tot het maagdarm kanaal.

Bij voldoende opname van biest van goede kwaliteit is de kans op een E. Coli infectie niet zo groot. Biest is de eerste melk van de merrie waarin veel antilichamen zitten tegen allerlei ziektekiemen uit de omgeving van merrie en veulen. Deze melk is wat geliger van kleur dan de “normale”melk. Veulens moeten zo snel en zo veel mogelijk biest drinken na de geboorte om bescherming te krijgen tegen allerlei ziekteverwekkers.

Symptomen en diagnose

Een veulen met E.Coli diarree, maakt vaak een duidelijke zieke indruk. Het veulen wil niet meer drinken, raakt uitgedroogd en de zuigreflex verdwijnt. Het veulen wordt sloom, ligt veel en kan koorts hebben. De mest is te dun en kan zelfs waterdun zijn, meestal grijzig van kleur. Als er sprake is van sepsis kunnen één of meerder gewrichten overvuld raken. De symptomen ontstaan over het algemeen in de eerste vier levensdagen. Aan de hand van al deze symptomen kan een infectie met E.Coli vermoedt worden. Er kan ook bacteriologisch onderzoek (kweek) gedaan worden in de mest of in de gewrichtsvloeistof van eventuele overvulde gewrichten.

Therapie

De therapie is afhankelijk van de situatie, maar kan bestaan uit infusen om de dehydratie op te heffen. Antibiotica om sepsis te voorkomen. En met behulp van een maagsonde kan er moedermelk toegediend worden om ervoor te zorgen dat het veulen voeding binnen krijgt waar het energie uit kan halen. E.Coli infecties kunnen voorkomen worden door een goede hygiëne in de omgeving van het veulen, maar vooral erop toezien dat het veulen snel, veel en goede biest krijgt. Het veulen moet binnen twee uur na de geboorte de eerste biest hebben gedronken.

Strongyloides Westerii infectie

Achtergrond

Ongeveer alle veulens worden direct na de geboorte besmet met de worm Strongloides Westerii. De besmetting vindt plaats via de melk van de moeder of doordat de veulens aan de mest knabbelen waar de larven in zitten. De larven van deze worm dringen door de huid of de slijmvliezen van het veulen. Daarna maken de larven een trektocht door het lichaam via de longen richting bronchiën. Dan worden ze opgehoest en doorgeslikt en worden ze volwassen in de dunne darm. Alleen bij veulens jonger dan 6 maanden komen volwassen wormen voor in de darm. Oudere dieren hebben een afweer opgebouwd tegen deze worm, waardoor de larven niet volwassen kunnen worden, omdat ze niet hun trektocht via de longen kunnen maken. De larven blijven dan in het weefsel van het paard zitten. Bij merries worden deze larven geactiveerd rond het veulenen, waardoor ze uitgescheiden worden via de melk.

Symptomen en diagnose

Alleen als het veulen geïnfecteerd is met zeer grote aantallen wormen kan er diarree ontstaan. Dit gebeurt dan maar zelden en als het gebeurt dan meestal op de leeftijd van een paar maanden als het veulen vanuit de omgeving herhaaldelijk veel larven op heeft genomen. De larven die door de longen trekken kunnen hoesten veroorzaken. De diagnose kan bevestigd worden door het aantonen van wormeieren met behulp van een microscoop in de mest van het veulen.

Therapie

Het veulen kan ontwormd worden met een middel dat werkzaam is tegen deze worm. Ivermectine is bijvoorbeeld een goede werkzame stof. Het is aan te raden om de merrie op de dag van het veulenen te ontwormen om zoveel mogelijk te voorkomen dat de merrie larven uit gaat scheiden via de melk. Het veulen dient een week tot tien dagen na de geboorte ontwormd te worden en vervolgens na 6 weken weer. Vanaf dan kan het veulen het normale schema van om de zes à acht weken (afhankelijk van het ontwormingsmiddel) volgen.

Let op, niet alle wormenkuren zijn veilig voor het veulen. Lees de bijsluiter! Middelen die moxidectine bevatten mogen pas op de leeftijd van 4 maanden en ouder toegediend worden!

Verder is het aan te raden om de box waar het veulen in staat zo schoon mogelijk te houden. Iedere dag mest verwijderen en indien mogelijk veulen en merrie zo snel mogelijk in de wei.

Rhodococcus infectie

Rhodococcus Equi is een bacterie die meestal een typische longontsteking veroorzaakt bij veulens van 1 tot 6 maanden oud. In zeldzame gevallen kan de bacterie de darmen aantasten en ernstige diarree veroorzaken bij veulens van ongeveer een maand oud. Deze infectie verloopt dodelijk. De darmen zijn ernstig aangetast en in de lymfeknopen van de dikke darm kunnen abcessen gevonden worden. Ook wordt wel eens een meer chronisch verloop gezien. Het veulen heeft dan diarree, groeivertraging en gewichtsverlies. Het vooruitzicht is ook in dit geval niet gunstig, omdat de bacterie moeilijk te behandelen is en vaak slecht reageert op de ingestelde antibiotica therapie.

Diarree veulen tijdens hengstigheid van de merrie

Vaak wordt tijdens of na de veulenhengstigheid van de merrie lichte diarree gezien bij het veulen. De oorzaak daarvan is niet bekend. Gedacht wordt dat het misschien te maken heeft met een veranderde samenstelling van de moedermelk tijdens de hengstigheid of dat het veulen in die periode knabbelt aan van alles uit de omgeving. Ook zou een lichte virusinfectie een rol kunnen spelen. De diarree is normaal gesproken matig en houdt maar een paar dagen aan. De veulens zijn levendig en drinken goed. Therapie is dan ook niet nodig.

Virusinfectie

Achtergronden

Er zijn verschillende virussen die bij het veulen diarree kunnen veroorzaken. Voorbeelden zijn het corona virus en het rotavirus. Deze virussen veroorzaken schade aan het weefsel aan de binnenzijde van de darm. Hierdoor worden voedingsstoffen niet goed opgenomen. De slecht verteerde voedseldelen verstoren het milieu in de darm waardoor diarree ontstaat. Het veulen is beschermd tegen deze virussen door de antilichamen in de biest van de merrie. Antilichamen zijn eiwitten die helpen bij het herkennen en bestrijden van indringers zoals virussen en bacteriën. Het is dus belangrijk dat het veulen op tijd voldoende biest binnen krijgt. Veulens tussen 5 en 14 dagen oud zijn het gevoeligst voor diarree veroorzaakt door virussen. Oudere veulens of paarden kunnen wel geïnfecteerd raken, maar deze infectie verloopt meestal zonder symptomen.

Symptomen en diagnose

Het veulen zal diarree krijgen en, afhankelijk van de ernst, stoppen met drinken en sloom worden. De zuigreflex kan verminderen of verdwijnen. Ook kan het veulen koorts hebben. Wanneer het veulen niet meer drinkt en diarree heeft, zal het uitdrogen. In de praktijk zal de diagnose als waarschijnlijkheidsdiagnose gesteld worden. Aanwijzingen zijn daarbij de leeftijd, de koorts en de diarree. De diagnose kan bevestigd worden door het virus aan te tonen in de mest.

Therapie

Wanneer het veulen uitgedroogd is, zullen er infusen gegeven worden. In sommige gevallen is het zinvol om orale (in de mond) elektrolyten toe te dienen. Er kan ook voor gekozen worden om antibiotica toe te dienen. Antibiotica helpen niet tegen het virus (antibiotica werken alleen tegen bacteriën), maar omdat het virus de darm beschadigd heeft, is de kans groter dat bacteriën aan kunnen slaan en secundair voor problemen gaan zorgen. Meestal verloopt de infectie niet zo ernstig en zullen veulens in de regel goed en vrij snel herstellen van diarree veroorzaakt door een virus.

Cryptosporidium infectie

Cryptosporidium is een eencellig organisme dat parasiteert in de dunne darm van veel soorten zoogdieren en ook bij het veulen (paard). Cryptosporidium zorgt voor minder goede opname van voedingstoffen waardoor diarree ontstaat. Waarschijnlijk kan cryptosporidium alleen voor ziekte zorgen bij veulens die een verminderde afweer hebben, omdat ze te weinig biest hebben gedronken, een infectie hebben met bijvoorbeeld een virus die de darm al verzwakt heeft, of veulens die een aangeboren verminderde afweer hebben zoals Arabische veulens met SCID (severed combined immuno deficiency). Er is geen goede effectieve therapie beschikbaar tegen cryptosporidium. Echter speelt deze parasiet waarschijnlijk maar een heel beperkte rol.

Diarree bij paarden

Salmonella infectie

Achtergronden

Salmonella is een bacterie die bij paarden diarree kan veroorzaken. Meestal gaat het dan om Salmonella Typhimurium. De incubatie tijd is ongeveer 1 tot 4 dagen. De diarree die ontstaat, kan van licht tot zeer ernstig zijn en zelfs tot acute sterfte van het paard leiden. In een aantal gevallen kan de bacterie meer organen aantasten dan alleen het darmkanaal. Wanneer de bacterie in de bloedbaan terecht komt, kunnen bijvoorbeeld ook de nieren of de gewrichten aangetast worden. Dit beeld komt zelden voor het volwassen paard, maar bij het veulen kan salmonella zich wat makkelijker uitbreiden van het darmkanaal naar andere plaatsen in het lichaam.

De meest voorkomende vorm is de acute darmontsteking waarbij meestal de dunne darm, de dikke darm en de blinde darm betrokken zijn. Paarden zijn vooral gevoelig als ze een verminderde afweer hebben. Bijvoorbeeld na stress door transport of een operatie en natuurlijk de jongere paarden die minder afweer hebben dan volwassen dieren. Paarden kunnen drager zijn van salmonella. Dit betekent dat ze geen symptomen hebben, maar wel de bacterie uit kunnen scheiden. Paarden kunnen ook salmonella bij zich dragen en pas ziek worden na een periode van stress, bijvoorbeeld na transport.

Een belangrijke complicatie van een (ernstige) salmonella infectie is hoefbevangenheid (zie hoefbevangenheid). De toxinen (giftige stoffen geproduceerd door bacteriën) vanuit het darmkanaal kunnen in de bloedbaan van het paard terecht komen. Deze toxinen komen ook in de hoef terecht en kunnen daar voor een ontstekingsreactie zorgen tussen hoefbeen en hoornwand, ook wel hoefbevangenheid genoemd.

Symptomen en diagnose

Meestal uit salmonella bij het paard zich in diarree waarbij de mest wat slap gebald kan zijn tot waterdun. In ernstige gevallen kan er ook bloed bij de mest zitten. Over het algemeen is het paard een paar dagen voordat het diarree krijgt al sloom, heeft koorts en wil het niet eten. Soms vertoont het dier wat lichte koliekverschijnselen. In het bloed kan een verlaging van het aantal witte bloedcellen aangetoond worden. Deze cellen worden vanuit het bloed naar de darm getransporteerd om daar te proberen de salmonella bacterie aan te pakken. Salmonella kan aangetoond worden met een bacteriekweek van de mest. Er zijn meerdere mestmonsters voor nodig om met een redelijke betrouwbaarheid te kunnen stellen of een paard salmonella heeft of niet.

Therapie

De therapie is afhankelijk van de ernst van de situatie en of er complicerende factoren een rol spelen, bijvoorbeeld of er andere orgaansystemen dan het darmkanaal betrokken zijn bij het ziektebeeld. Als de diarree ernstig is, moet het vochtgehalte van het dier op peil gehouden worden met behulp van infusen en kunnen er elektrolyten toegediend worden. Er kan voor gekozen worden om antibiotica toe te dienen om complicaties te voorkomen. Verder kunnen nog pijnstillers, koortsremmers en ontstekingsremmers (NSAID’s) gebruikt worden en middelen die vergelijkbaar zijn met norit® (actieve kool) of die een beschermend effect hebben op de darmwand. Welke middelen ingezet worden, hangt af van de situatie. Uw dierenarts zal dus afhankelijk van de toestand van het paard (eventueel met behulp van een bloedonderzoek) een therapie instellen.

Rode bloedworm infectie

Achtergronden

Rode bloedwormen (Cyathostominae) kunnen paarden van alle leeftijden infecteren. Paarden bouwen geen goede immuniteit op tegen deze worm. De larven worden opgenomen door het paard uit de omgeving en komen in de blinde darm en een deel van de dikke darm terecht. Daar dringen ze de darmwand in waar ze zich verder ontwikkelen om daarna weer terug te keren naar het darmlumen (holte van de darm) om daar uit te groeien tot volwassen worm. De wormen zetten zich vast met hun mondkapsels aan de darmwand en voeden zich met stukjes weefsel. Dit levert hele kleine beschadigingen op, maar als de wormen in grote aantallen aanwezig zijn kan dit tot diarree leiden door een verminderde darmfunctie. Het zijn vooral de larven die in en uit de darmwand kruipen die voor de grootste weefselschade zorgen.

Symptomen en diagnose

Er zijn twee vormen van rode bloedworm infectie te onderscheiden. Ten eerst een vorm waarbij er in de loop van de zomer tot en met het najaar veel volwassen wormen in het lumen en larven in de wand van de darm te vinden zijn. In dit geval is er meestal sprake van vage klachten zoals, verminderde groei, vermagering, een doffe vacht en wat slappe mest. Er kan echter ernstige diarree ontstaan bij een grote infectie en paarden kunnen ook koliekverschijnselen vertonen.

Ten tweede is er een ernstige vorm te onderscheiden die meestal aan het eind van de winter tot begin van het voorjaar optreedt (wintercyathostominose). De larven die in het najaar door het paard opgenomen zijn kruipen de darmwand in en kapselen zich in om in het paard te overwinteren. Zodra het voorjaar wordt, komen al deze larven ongeveer tegelijkertijd weer uit de darmwand gekropen. Dit geeft heel veel darmschade, waardoor ernstige waterdunne diarree ontstaat. Vaak kunnen er wormen in de mest gevonden worden. Deze zijn een paar cm lang en rood van kleur. De diarree kan vrij plotseling ontstaan, maar de paarden vermageren in de regel wel, wat duidt op problemen die langere tijd bestaan.

De diagnose kan gesteld worden door de mest te onderzoeken op wormeieren of op de wormen zelf. Er zijn alleen wormeieren te vinden als het paard te maken heeft met volwassen wormen in de darm. Als er alleen larven ingekapseld zitten in de darmwand zullen er dus geen wormeieren aangetroffen worden in de mest. Dan kan uit bloedonderzoek blijken dat het paard te maken heeft met een worminfectie.

Therapie

Het paard dient ontwormd te worden met een wormmiddel waar een werkzame stof in zit wat effectief is tegen rode bloedworm, zoals pyrantel, ivermectine of moxidectine. Het voordeel van moxidectine is dat deze stof ook werkzaam is tegen de larvale stadia van rode bloedworm. Als het paard te maken heeft met wintercyathostominose is vaak ook verdere behandeling nodig. Het paard moet dan behandeld worden met infusen en electrolyten tegen uitdroging. Een ontstekingsremmer kan nodig zijn om de ontstekingsreactie die in de darmwand ontstaat door de larven te onderdrukken.

Problemen veroorzaakt door rode bloedworm kunnen gepaard gaan met een salmonella infectie en met een ophoping van zand in de dikke darm wat ook weer diarree kan veroorzaken. Uiteraard wordt hierdoor het herstel negatief beïnvloed. Het is daarom heel belangrijk om worminfecties bij paarden te voorkomen. Daartoe moeten paarden ontwormd worden met een middel dat een goede werkzame stof bevat en volgens het juiste wormschema wordt toegediend (staat aangegeven op de verpakking van de wormenkuur).

Paarden moeten de juiste dosering krijgen, zeker niet te weinig! Wanneer een paard een te lage dosering krijgt, blijven een aantal wormen in leven. Dit zijn wormen die redelijk immuun zijn tegen het gebruikte middel. Deze wormen zullen zich vermenigvuldigen en zorgen voor een nieuwe generatie die behoorlijk resistent kan zijn tegen het ontwormingsmiddel. Hierdoor wordt verdere opbouw van resistentie in de hand gewerkt.

Zand

Achtergronden

Wanneer paarden langere tijd op een schrale weide staan, kunnen ze veel zand opnemen doordat ze tijdens het grazen van het korte gras de worteltjes meetrekken. Aan de worteltjes van het gras blijft veel zand kleven. Normaal gesproken wordt het zand weer snel afgevoerd door het darmkanaal en via de mest uitgescheiden. Echter als de motiliteit van de darm afneemt, of de hoeveelheid opgenomen zand zeer groot is, kan zand zich ophopen in de dikke darm. Met motiliteit worden samentrekkingen van de darm bedoeld die ervoor zorgen dat de darminhoud getransporteerd wordt van de maag naar het eind van de darm. Door verschillende oorzaken kan de motiliteit afnemen, bijvoorbeeld door een infectie met cyathostominae.

Een ophoping van zand kan diarree tot gevolg hebben, maar het kan ook voor koliekverschijnselen zorgen. In ernstige gevallen kan er sprake zijn van kilo’s zand in de darm. Het gewicht van het zand zorgt voor trekkracht aan de structuren van de darm wat erg pijnlijk kan zijn. De diagnose kan gesteld worden door mestballetjes op te lossen in bijvoorbeeld een emmer water. Het zand zal naar de bodem zakken. Zo kan vastgesteld worden of er zand in de darm aanwezig is.

Therapie

Er zijn allerlei middelen op de markt die het paard helpen het zand uit de darm te transporteren zoals lijnzaad(slijm). Wanneer de hoeveelheid zand groot is, maar er zijn verder geen complicaties, moet het paard gedurende meerdere dagen gelaxeerd worden met paraffine. Dit wordt door een dierenarts toegediend via een maagsonde. Als het paard wel complicaties vertoont, bijvoorbeeld aanhoudende koliek, dan kan een operatie uitkomst bieden. De dikke darm met daarin de zandophoping wordt buiten het paard geopend en het zand wordt eruit gespoeld. Het is verstandig om bij paarden die op een schrale weide worden gehouden regelmatig even te controleren of en hoeveel zand er in de mest zit, zodat er tijdig ingegrepen kan worden. Dan is het geven van een supplement dat zand uit de darm helpt verwijderen vaak al genoeg.

Colitis X

Achtergronden

Colitis X is een ontsteking van de dikke darm (colon). Colitis X komt zelden voor en X staat in de naam om aan te geven dat de oorzaak niet bekend is. De aandoening is niet besmettelijk, ontstaat plotseling en verloopt zeer snel en leidt vaak tot het overlijden van het paard binnen enkele uren tot een dag. Bij sommige paarden kan de bacterie Clostridium Perferinges (type A) in de mest of darminhoud aangetoond worden. Deze bacterie komt normaal in kleine hoeveelheden in de darm voor. Door onder andere het gebruik van bepaalde antibiotica, stress tijdens en na operaties, langdurig transport of grote rantsoensveranderingen kan deze bacterie zich massaal gaan vermenigvuldigen. De toxinen (giftige stoffen) die door deze bacteriën geproduceerd worden, zorgen voor diarree en het algeheel ziek zijn van het paard. Behalve Clostridium Perferinges kunnen ook andere bacteriën een rol spelen zoals E. Coli en Clostridium Difficile. Wanneer een bacterie aangetoond kan worden als veroorzaker, kan eigenlijk niet meer gesproken worden van colitis X, maar het ziektebeeld van deze aandoening en die veroorzaakt door genoemde bacteriën zijn niet van elkaar te onderscheiden.

Symptomen en diagnose

De verschijnselen ontstaan plotseling en het paard verslechterd snel. De dieren zijn suf, hebben koorts en kunnen heftig koliek vertonen. De harstslag en de ademhaling zijn versneld, de slijmvliezen zijn donkerrood tot paarsig van kleur en de paarden raken uitgedroogd. De mest is waterdun, maar soms is het verloop van de ziekte zo snel dat het paard overlijdt voordat de diarree ontstaat. Meestal overlijdt het aangedane dier binnen een paar uur tot een dag. Tijdens bloedonderzoek kan aangetoond worden dat het paard uitgedroogd is en dat het aantal witte bloedcellen verlaagd is. In de mest kunnen bacteriën als Clostridium Perferinges, E. Coli en Clostridium Difficile aangetoond worden.

Therapie

De therapie bestaat uit het toedienen van heel veel infuusvloeistof om de ernstige uitdroging tegen te gaan. Het dier verzuurt ook sterk, ook dat wordt door middel van de infusen gecorrigeerd. Verder kan er medicatie toegediend worden om shock te bestrijden. Wanneer Clostridium bacteriën een rol spelen kan een antibioticum toegediend worden dat werkzaam is tegen deze ziekteverwekker zoals metronidazol. Aangetoond is dat metronidazol in een aantal gevallen een goed effect heeft bij mensen die een darmontsteking hebben veroorzaakt door Clostridium soorten. Ondanks intensieve therapie heeft colitis X bijna altijd een dodelijke afloop.

Zweren in de dikke darm; Ulceratieve colitis

Ulceratieve colitis is een ontsteking aan de dikke darm waarbij de ontstane beschadiging bestaat uit zweren. Ulcus betekent zweer. Deze aandoening kan ontstaan als paarden een langdurige behandeling krijgen met NSAID’s in een hoge dosering. NSAID’s (non steroid anti-inflammatory drug) zijn middelen met een pijnstillende, ontstekingsremmende en koortsremmende werking. Een bekende bijwerking van deze geneesmiddelen is het veroorzaken van maagzweren en zweren in de dikke darm. Jonge paarden zijn vooral gevoelig voor het ontwikkelen van maagzweren. Bij volwassen paarden worden vooral zweren in de dikke darm aangetroffen. Ulceratieve colitis uit zich in buikpijn (koliek) en diarree. Wanneer een paard van deze aandoening verdacht is, dient de therapie met NSAID’s gestopt te worden. In de literatuur staat de mogelijkheid beschreven om een operatie uit te voeren waarbij het aangetaste gedeelte van de dikke darm verwijderd wordt. Verder wordt aangegeven dat een dieet waarbij het paard alleen krachtvoer krijgt (brokjes), verdeeld over de dag in vier tot zes kleine porties en aangevuld met psyllium mucilloid een gunstig effect kan hebben. Gedacht wordt dat de dikke darm minder belast wordt als er geen stengelig voer verstrekt wordt zoals hooi. Aangenomen wordt dat dit dieet 3 tot 6 maanden volgehouden moet worden om effect te verkrijgen. Psyllium mucilloid is een natuurlijke vezel die de hoeveelheid kortketen vetzuren in de dikke darm verhoogd. Dat zou een gunstig effect hebben op de genezing van de zweren. Onbekend is hoe lang deze vezel toegevoegd moet worden aan het voer.

Chronische darmontstekingen; Granulomateuze enteritis en Eosinofiele granulomatose

Achtergronden

Granulomateuze enteritis en eosinofiele granulomatose zijn chronische ontstekingen in de darm die diarree kunnen veroorzaken. Deze aandoeningen komen niet vaak voor en worden in de regel gezien bij paarden ouder dan 1 jaar. De oorzaak van deze darmontstekingen is nog niet duidelijk hoewel er aanwijzingen zijn dat in sommige gevallen tuberculose of schimmels een rol kunnen spelen. In de darmwand worden granulomen gevormd. Granulomen zijn verdikkingen, in dit geval in de darmwand, die bestaan uit ontstekingsweefsel en cellen van het afweersysteem. Granulomateuze enteritis komt vooral voor in het laatste deel van de dunne darm, eosinofiele granulomatose vooral in de dikke darm. Eosinofiel staat voor een bepaald type afweercellen, de eosinofiele granulocyten.

Symptomen en diagnose

De paarden vermageren en kunnen chronisch diarree hebben. Als alleen de dunne darm aangetast is, zal er geen diarree ontstaan. De paarden blijven over het algemeen wel goed eten, maar kunnen zo nu en dan koliekverschijnselen vertonen. In het geval van eosinofiele granulomatose kunnen ook huidontstekingen rond de kroonranden ontstaan.

Eosinofiele granulomatose kan aangetoond worden met een biopt van het slijmvlies van de dikke darm. Aangezien granulomateuze enteritis vooral in de dunne darm voorkomt is het niet mogelijk daar een biopt van te nemen. Wel is bekend dat deze aandoening ervoor zorgt dat er minder goed glucose (suiker) opgenomen kan worden vanuit de dunne darm. Daarom kan de diagnose van deze darmontsteking “met waarschijnlijkheid” gesteld worden door het uitvoeren van een glucose-opname-test. Bij deze test krijgt het paard een grote hoeveelheid suiker opgelost in water via een maagsonde toegediend en wordt in het bloed gekeken hoeveel glucose het paard heeft opgenomen vanuit de dunne darm.

Therapie

Deze ziekten zijn niet te genezen en de vooruitzichten op de langere termijn zijn dan ook slecht. De dieren zullen steeds verder vermageren. In theorie zou het toedienen van corticosteroïden zoals prednisolon de ontsteking kunnen remmen. In de praktijk blijkt dat deze middelen geen duidelijke verbetering te zien geven.

Lymfosarcoom van de darm

Lymfosarcoom van de darm is een tumorziekte waarbij lymfocyten die veranderd zijn in tumorcellen zich innestelen in het weefsel van de wand van de darm. Lymfocyten zijn witte bloedcellen die betrokken zijn bij het afweersysteem. Naar mate het ziekteproces vordert zal het paard verschijnselen vertonen als vermagering, chronische diarree en soms zo nu en dan koliek. Ook kan er onder de buik oedeem ontstaan. Oedeem is een onderhuidse vochtophoping. De ziekte kan bij paarden van alle leeftijden voorkomen. Er is geen therapie voor deze aandoening. De vooruitzichten zijn dan ook slecht.

Voeding als oorzaak van diarree

Plotselinge voerveranderingen kunnen bij paarden voor diarree zorgen. Dit komt omdat de bacteriën in de darm van het paard in evenwicht zijn. Dat wil zeggen dat de verschillende soorten bacteriën in bepaalde hoeveelheden aanwezig zijn en zo blijven. Door al deze goede bacteriën in de darm krijgen ziekteverwekkende bacteriën weinig kans om aan te slaan. Als een paard ineens ander voer krijgt, kan dat ervoor zorgen dat bepaalde bacteriën in een voordelige situatie terecht komen en daardoor zich sneller gaan vermenigvuldigen. De darmflora (bacteriën) raakte dus uit evenwicht. Hierdoor kan diarree ontstaan, maar ook kunnen ziekteverwekkende bacteriën sneller aanslaan. Voer wat beschimmeld is, wat nog wel eens voorkomt bij kuilgras, kan ook diarree veroorzaken. Hetzelfde geldt uiteraard voor bedorven voer.

Paarden die in het voorjaar de wei in gaan, kunnen ook slappe groene mest krijgen. Dit komt omdat dit gras veel water en mineralen bevat, waardoor het paard niet al het vocht uit het gras op kan nemen en dus een deel weer uitscheidt met de mest. Het heeft geen betekenis voor de gezondheid van het paard. Uiteraard moet met voorjaarsgras (en najaarsgras) wel opgepast worden dat het paard niet hoefbevangen raakt.

Maagtumor

Achtergronden

Bij het paard komen af en toe tumoren van de maag voor. Het gaat dan om een plaveiselcelcarcinoom. Dit is een kwaadaardige tumor die ontstaat uit de cellen van de slijmvlieslaag van de maag. Over het algemeen komt deze aandoening alleen bij wat oudere paarden voor. De oorzaak is onbekend.

Symptomen en diagnose

De klachten beginnen met vermagering en vermindering van de eetlust. Het paard kan lusteloos worden en een doffe vacht krijgen. De ernst van de klachten is afhankelijk van de grootte van de tumor en of de tumor zich uitgebreid heeft in de buikholte. Zo kan bijvoorbeeld ook de slokdarm betrokken zijn bij het probleem waardoor het paard moeite kan krijgen met het transporteren van voedsel door de slokdarm naar de maag. De slijmvliezen kunnen bleek zijn als de tumor voor bloedverlies zorgt. In sommige gevallen wordt diarree gezien. Wanneer er maagbloedingen optreden ontstaat er zwarte dunne mest. Het paard kan een normale lichaamstemperatuur hebben, maar bij deze aandoening wordt ook nog wel eens koorts gemeten. Tijdens het inbrengen van een maagsonde kan er vanuit de maag een typerende geur komen die een plaveiselcelcarcinoom doet vermoeden. Een bloedonderzoek kan verdere aanwijzingen opleveren voor het bestaan van een maagtumor. Rectaal opvoelen kan soms ook aanwijzingen geven. De maag is vaak niet zo gemakkelijk te voelen, maar als er sprake is van uitzaaiingen in de buikholte kunnen deze te voelen zijn op allerlei buikorganen. De diagnose kan bevestigd worden met behulp van een maagscopie. Eventueel kan er dan ook een biopt genomen worden van het afwijkende weefsel, zodat onderzocht kan worden of het inderdaad om een plaveiselcelcarcinoom gaat.

Therapie

Er is geen therapie voor deze aandoening. Het paard zal uiteindelijk overlijden aan deze ziekte.

Dysbacteriose

In de darmen van het paard leven veel bacteriën. Deze goede bacteriën zijn met elkaar in evenwicht. Dat wil zeggen dat de verschillende soorten bacteriën in bepaalde hoeveelheden voorkomen. Daardoor is het inwendige milieu van de darm in balans. De goede bacteriën zorgen er ook voor dat er geen plaats is voor ziekteverwekkende bacteriën, zodat deze niet gemakkelijk aan kunnen slaan. Door het gebruik van antibiotica kan het evenwicht tussen de verschillende soorten bacteriën verstoord raken. Een aantal soorten bacteriën zal geremd worden waardoor andere soorten de mogelijkheid krijgen om te vermenigvuldigen. Dit wordt dysbacteriose genoemd. Ziekteverwekkende soorten die slechts in geringe aantallen in de darm aanwezig waren, krijgen nu de kans om snel te vermenigvuldigen en zo voor diarree te zorgen. Sommige bacteriën produceren toxinen (giftige stoffen) die tot ernstige diarree, ernstig ziek zijn en tot zelfs shock kunnen leiden. Dysbacteriose door het gebruik van antibiotica is een van de oorzaken van colitis X.

Naar boven Disclaimer Paard en Gezondheid