Vaccineren

Vaccineren

De weerstand van een dier tegen een ziekte bestaat uit twee delen. Ten eerste de weerstand tegen de feitelijke ziekteverwekker; het vermogen om het binnendringen, verblijven, ontwikkelen en vermenigvuldigen van deze ziekteverwekker tegen te gaan. Ten tweede de mate waarin de ziekteverwekker verdragen wordt, ofwel hoe ziek een dier er van wordt.Het ene dier wordt er zieker van dan het ander dier. Een dier kan een ziekteverwekker bij zich dragen zonder dat het daar ziek van wordt. Dit heet een drager en het is een groot probleem omdat het dier zo de ziekte kan verspreiden zonder dat je het in de gaten hebt.

Vaccineren hals
Het vaccineren van een paard

De weerstand van een dier kan onderverdeeld worden in natuurlijke weerstand en specifieke weerstand. De natuurlijke weerstand is gericht op het buitensluiten van ziektekiemen. De specifieke weerstand houdt in dat het dier afweerstoffen maakt tegen een specifieke ziekteverwekker, zoals een bepaald virus. Afweerstoffen zijn eiwitten die de ziekteverwekker beschadigen. Door middel van inenten of vaccineren gaat het lichaam zelf afweerstoffen produceren tegen een specifieke bacterie of virus.

Als een veulen geboren wordt krijgt het afweerstoffen met de biest (eerste melk) binnen. Als een drachtige merrie correct gevaccineerd is zullen er voldoende afweerstoffen via de biest op het veulen worden overgedragen. In de eerste uren na de geboorte laat de darmwand de afweerstoffen erdoor heen gaan. Na 24 uur is de darmwand zo veranderd dat er geen afweerstoffen meer doorheen kunnen. De eerste levensdag is dus heel belangrijk voor de opname van voldoende beschermende afweerstoffen!

Er zijn 4 ziekten belangrijk waartegen gevaccineerd kan worden; influenza, tetanus, rhinopneumonie en droes. Hieronder staat een tabel met een advies entschema voor een veulen, een volwassen paard en een drachtige merrie voor deze ziekten.

 

Veulen

Volwassen paard

Drachtige merrie

Influenza

6, 7 en 13 maanden

1-2 maal per jaar

4-6 weken voor de geboorte

Tetanus

6, 7 en 13 maanden

1 maal per jaar

1 maal per jaar (herhaling 2-4 weken voor de partus)

Rhinopneumonie

Vanaf een halfjaar 2 entingen met tussentijd 4-6 weken

Minimaal 2 maal per jaar

5e, 7e en 9e maand van de dracht

Droes

4 en 5 maanden

2-4 maal per jaar

Afhankelijk van infectiedruk

Influenza

Achtergrond

Influenza wordt veroorzaakt door een virus. Het influenzavirus behoort tot de groep Orthomyxovirussen die zich heel snel kunnen verspreiden. Het virus komt binnen via de neus van het paard. De ziekte is zeer besmettelijk. Paarden kunnen het aan elkaar doorgeven via neus aan neus contact. Het kan ook overgedragen worden via kleding, schoenen en borstels. Daarnaast kan het ook via de lucht, het virus hangt dan in hele kleine druppeltjes (aërosolen) in de lucht. Na aanraking met het virus kunnen de paarden al na 2 tot 3 dagen ziek worden.

Symptomen en diagnose

Het influenzavirus veroorzaakt een infectie aan de voorste luchtwegen. De paarden hebben enkele dagen hoge koorts, een droge pijnlijke hoest, pijnlijke keel, eten matig en hebben vergrote keellymfeknopen. Sommige hebben witte neusuitvloeiing, lopen stijf terwijl anderen juist slap zijn. Een enkele keer ontwikkeld zich vochtophopingen (oedeem) aan de onderbenen, voorhuid van de penis of de balzak.

Als gevolg van de slijmvliesbeschadigingen door het virus, kunnen bacteriën, die normaal ook op de slijmvliezen voorkomen, zorgen voor een secundaire infectie. Daardoor kunnen er allerlei complicaties ontstaan. Vooral bij jonge dieren, oude dieren en na stress kan er een bronchopneumonie (longontsteking), een ontsteking aan de pleura (borstvlies) of aantasting aan de hartspier als complicatie ontstaan.

Als er meerdere paarden ernstig ziek zijn met verkoudheidsverschijnselen is de diagnose influenza erg waarschijnlijk. Het kan worden bevestigd met een bloedonderzoek of een viruskweek met een neusswab afgenomen in de acute fase. Een neusswab is een wattenstaafje waarmee de dierenarts slijm uit de neus haalt en wat in een laboratorium onderzocht wordt.

Vaccineren boeg

Therapie

Het paard moet rust hebben en in een goede geventileerde frisse stal staan. Daarnaast kan tegen secundaire bacteriële infectie een antibioticakuur gegeven worden. Koortsremmers worden gegeven om de koorts naar beneden te halen zodat het paard ook weer wat meer eetlust heeft. Eventueel kan het paard nog behandeld worden met slijmoplossers en ventipulmin®. Ventipulmin® stimuleert de beweeglijkheid van de trilhaartjes die aan de binnenzijde van de luchtwegen zitten waardoor het slijm beter afgevoerd wordt. Als het paard geen complicaties heeft dan hersteld het in het algemeen in een maand. Bij veulens is de prognose vaak slechter omdat er vaak complicaties optreden.

Preventie

Een vaccinatie geeft bescherming van minstens een halfjaar tegen influenza. Het geeft geen bescherming tegen andere virusinfecties. Als de enting meer dan een half jaar gelden gegeven is komen doorbraken wel eens voor. Het advies is om paarden die veel in aanraking komen met vreemde paarden (wedstrijden, keuringen etc.) twee maal per jaar te enten tegen influenza. De FEI heeft het twee maal per jaar vaccineren verplicht gesteld.

Het is verstandig om een veulen te enten tegen influenza. Het tijdstip waarop met enten wordt begonnen ligt tussen de 3 en 5 maanden. Dit hangt af van het moment waarop de merrie geënt is. De tweede enting volgt 4-6 weken na de eerste enting. Een derde enting volgt een half jaar later (zie tabel hierboven).

Tetanus

Achtergrond

Tetanus wordt veroorzaakt door gifstoffen van de bacterie Clostridium tetani die vrijkomen in het lichaam van het paard. De bacterie zit overal in de omgeving. Bij een infectie komt de bacterie het lichaam binnen via een wond ( bijv. diepe steekwonden, nageltred, navelabces, castratie). In deze wond gaat de bacterie zich vermeerderen en gifstoffen vormen dat de zenuwen van het paard aantast. De tijd tussen het moment van besmetting en eerste verschijnselen van de ziekte bedraagt meestal enkele dagen. Alle landbouwhuisdieren kunnen tetanus krijgen. Het komt nu niet zo vaak meer voor omdat de meeste paarden goed geënt worden.

Symptomen en diagnose

Paarden met tetanus zijn stijf en schrikken snel. De stijfheid wordt steeds erger waarbij onder andere ook de kauwspieren stijf worden. Vaak treedt een verkramping van de spieren aanvalgewijs op.Daardoor zijn de kaken op elkaar geklemd; ‘kaakklem’. Het derde ooglid is erg zichtbaar, vooral bij opwinding. De oren staan stijf naar achteren en ze dragen de staart van het lichaam. Op den duur verkrampt het hele lichaam waarbij paarden die liggen niet meer overeind kunnen komen. De ademhalingsspieren verkrampen uiteindelijk ook en dan sterft het paard. Aan de hand van de symptomen die het paard toont kan de dierenarts een waarschijnlijkheidsdiagnose stellen. Het kan restloos genezen alleen neemt het een heel lange tijd in beslag.

Therapie

De therapie is er op gericht om het voor het paard zo comfortabel mogelijk te maken. De gifstoffen zitten in het lichaam van het paard en moeten afgebroken worden. De volgende matregelen moeten genomen worden: de stal moet een stille, verduisterde stal zijn zodat het paard zo min mogelijk prikkels ontvangt. Door die prikkels kan het een aanval van kramp krijgen. Rust is heel belangrijk. Het paard kan in de benen gehouden worden met behulp van een ‘broek’ takel. Daarmee wordt het paard met de achterhand ondersteund. Het wordt min of meer leen stukje opgetakeld. Het paard sederen (licht verdoven) zodat het zelf niet in paniek raakt. De spierkrampen kan de dierenarts opheffen door spierontspanners te geven. Daarnaast wordt geprobeerd om de toxinen van Clostridium tetani weg te vangen met een tetanus-antitoxine injectie. En de bacterie bestrijden met een antibiotica kuur.

Prognose

Als het paard nog zelf drinkt, is de prognose redelijk. Als het binnen 24 uur komt te liggen, is de prognose slecht. Het wordt nog slechter als er botbreuken zijn opgetreden of als er doorlig plekken ontstaan. Als complicatie kan een paard zich verslikken doordat tijdens een krampaanval de slokdarm en de luchtpijp niet goed meer werken. Door zich te verslikken kan er een longontsteking ontstaan.

Door middel van vaccinatie kan je tetanus goed voorkomen (zie entschema). De meeste paarden worden minstens eenmaal per jaar gevaccineerd tegen tetanus vaak in combinatie met influenza. Bij veulens is het belangrijk dat ze op tijd en genoeg biest (eerste melk) krijgen van een merrie die 2-4 weken voor de partus is geënt tegen tetanus. Bij wonden is een herhalingsvaccinatie (booster) sterk aan te raden.

Rhinopneumonie

Achtergrond

Rhinopneumonie wordt veroorzaakt door het Equine Herpesvirus (EHV). Rhinopneumonie is een infectie van de voorste luchtwegen en treedt vooral op in het najaar en winter als de paarden weer bij elkaar op stal staan. Dit geldt overigens voor allerlei infectieziekten die bijvoorbeeld verkoudheden kunnen veroorzaken.Tijdens de stalperiode, staan er veel paarden in een relatief kleine ruimte en kunnen virussen gemakkelijk verspreid worden van het éne naar het andere paard. De tijd tussen het moment dat het paard geïnfecteerd raakt met het virus tot het begin van de ziekteverschijnselen, te weten de incubatietijd, bedraagt enkele dagen tot ruim een week.

Er zijn twee typen herpesvirus; EHV-4 en EHV-1. Beide typen kunnen luchtweginfecties veroorzaken. Daarnaast kan EHV-1 ook abortus veroorzaken en het zenuwstelsel aantasten met mogelijk ataxie (incoördinatie) tot gevolg.

De infectie met het Equine Herpes Virus kan op een aantal verschillende manieren verlopen.

De verkoudheidsvorm

De verkoudheidsvorm is de meest voorkomende vorm. Over het algemeen verloopt deze vorm heel onschuldig. Wanneer het paard geïnfecteerd raakt met het Equine Herpes Virus, zal het paard na enkele dagen tot ruim een week ziekteverschijnselen tonen. Het paard is ziek, waardoor het minder goed wil eten, heeft een lichte temperatuursstijging tot hoge koorts, de lymfeknopen zijn gezwollen, het dier kan dikke benen hebben, heeft heldere tot geelgroene neusuitvloeiing en ook de ogen kunnen tranen. In de meeste gevallen is de infectie heel mild, waardoor deze nauwelijks opgemerkt wordt. Soms “gaat er alleen een hoestje door de stal”, waarbij een klein aantal paarden wat duidelijkere verschijnselen van een verkoudheid laten zien. In de meeste gevallen zijn de symptomen binnen een paar weken weer voorbij. Tenzij er een secundaire bacteriële infectie ontstaat. Een bacterie alleen maakt weinig kans om de luchtwegen te infecteren. Infecties met virussen maken een weg vrij voor bacteriën zodat deze de kans krijgen om aan te slaan. Bij een secundaire bacteriële infectie blijven de symptomen langer bestaan en zal er eventueel een antibiotica kuur gegeven moeten worden.

De abortus vorm

Wanneer een drachtige merrie in aanraking komt met het Equine Herpes Virus kan de baarmoeder geïnfecteerd raken. Het virus verspreidt zich en infecteert de foetus (ongeboren veulen). In de meeste gevallen heeft dit abortus tot gevolg of wordt er een zeer zwak veulen geboren dat vaak binnen enkele dagen sterft. Het virus en de schade die het veroorzaakt heeft kan aangetoond worden in bepaalde organen van de geaborteerde vrucht. De merrie aborteert vaak pas een aantal maanden na het doormaken van de EHV infectie. Wanneer de merrie hoge koorts krijgt, kan ze ook binnen een paar dagen aborteren. Dit komt dan meestal door de koorts op zich waarbij bepaalde hormonen (prostaglandinen F2α) door het lichaam aangemaakt worden die een abortus kunnen veroorzaken. Het is ook mogelijk dat er een veulen geaborteerd wordt terwijl het virus niet aangetoond kan worden in de organen van dit dier en waarbij geen schade veroorzaakt door het virus gevonden wordt. Waarschijnlijk is dit het gevolg van een ontsteking van de bloedvaten in de placenta (moederkoek) en de baarmoederwand, waardoor het veulen onvoldoende van voeding en zuurstof voorzien kon worden.

De neurologische vorm

De neurologische vorm waarbij het zenuwstelsel aangetast wordt komt relatief niet zo vaak voor. Door beschadiging van het ruggenmerg kunnen paarden verlamd raken. Dit begint meestal met een wat slappe staart en atactisch lopen, alsof het paard dronken is. De ataxie ontstaat vrij snel en toont zich bij ernstige gevallen niet alleen in de achterhand maar ook in de voorhand. Paarden kunnen dusdanig verlamd raken dat ze gaan liggen en niet meer overeind kunnen komen. Ook blaasverlamming en het niet meer kunnen mesten zijn symptomen die bij deze vorm horen. Gedacht wordt dat bloedvaatjes in het zenuwstelsel beschadigd raken door de infectie met het virus of door het vastlopen van virus-antilichaam complexen, hierdoor ontstaat zwelling en schade van het ruggenmerg. Antilichamen zijn eiwitten die gevormd worden door het lichaam om indringers zoals virussen en bacteriën te bestrijden. Een antilichaam koppelt zich vast aan het virus zodat er complexen van virusdeeltjes en antilichamen kunnen ontstaan. Die zijn vergelijkbaar met hele kleine klontjes die vast kunnen lopen in nauwe bloedvaatjes.

De oogvorm

Heel zelden wordt de oogvorm geconstateerd. Het oog raakt geïnfecteerd waardoor er witte vlekjes op het hoornvlies ontstaan. Deze plekjes moeten goed behandeld worden omdat het hoornvlies anders blijvend beschadigd kan raken. Daarnaast kan het voorkomen dat er geen afwijkingen te zien zijn aan het oog, maar dat het paard (tijdelijk) een verminderd of totaal verlies van gezichtsvermogen heeft. Meestal betreft dit één oog.

Besmette paarden blijven drager van het virus en kunnen het virus verspreiden. Hierdoor komen op bedrijven waar meerdere paarden bij elkaar gehuisvest zijn, gedurende het hele jaar opnieuw infecties voor. Oudere paarden hebben door deze herinfecties meestal voldoende weerstand opgebouwd tegen het virus.

De verspreiding van het Rhinopneumonie virus vindt voornamelijk plaats door direct contact tussen paarden. Het is wel mogelijk dat mensen de besmetting overbrengen van het éne paard naar het andere paard na contact met bijvoorbeeld besmet geaborteerd materiaal of wanneer besmette kleding gedragen wordt. Door douchen, schone kleren en schone schoenen kan het overbrengen van besmet materiaal vrijwel worden uitgesloten. Het passeren van paarden op straat of in het bos is geen mogelijke bron van besmetting indien voorkomen wordt dat de paarden aan elkaar ruiken.

Diagnose en Therapie

Aan de hand van het verhaal van de eigenaar over het ziekteverloop en de klinische symptomen wordt de ’waarschijnlijkheids’ diagnose ‘virusinfectie van de voorste luchtwegen gesteld. Het virus kan aangetoond worden door het nemen van een neusswab (uitstrijkje hoog in de neus). Belangrijk is dat dit gedaan wordt als de paarden koorts hebben. Ook kan geprobeerd worden om het virus aan te tonen door middel van bloedonderzoek. De eerste bloedafname moet tijdens de koortsfase plaats vinden en de tweede afname 3 weken later. In het bloed kunnen dan antilichamen aangetoond worden tegen het Rhinopneumonievirus. In het eerste bloedmonster zullen nog maar weinig antilichamen geteld kunnen worden, terwijl het aantal antilichamen in het tweede bloedmonster flink gestegen zal zijn.

Er is geen echte therapie tegen het virus dat Rhinopneumonie veroorzaakt. Wel kan het paard ondersteund worden door bijvoorbeeld het geven van een koortsremmer in geval van hoge koorts. Vaak is therapie ook niet nodig. In de regel herstellen paarden heel snel en volledig van de verkoudheidsvorm. Bij de abortusvorm wordt het veulen geaborteerd, dood geboren of wordt er een heel zwak veulentje geboren. Er is geen therapie voor het veulen en meestal toont de merrie geen ziekteverschijnselen. Natuurlijk is het wel belangrijk om in het geval van abortus goed te letten op het afkomen van de nageboorte en of de merrie niet ziek wordt als gevolg hiervan.

In het geval van de neurologische vorm is er eigenlijk ook alleen een ondersteunende therapie. Paarden waarvan het zenuwstelsel aanzienlijk beschadigd is door de infectie moeten zeer intensief verpleegd worden, waardoor ze geheel of gedeeltelijk kunnen herstellen. Het herstel neemt wel lange tijd in beslag.

De verpleging en behandeling van een paard dat lijdt aan de neurologische vorm bestaat uit:

  • Er moet op gelet moet worden dat het paard voldoende water en voer binnen krijgt. In ernstige gevallen kan het paard niet meer opstaan en zal het water met behulp van een emmer aangeboden moeten worden.
  • Er moet voor gezorgd worden dat het paard zichzelf niet kan beschadigen. Dus moet het paard geplaatst worden in een ruime box met een goede bodembedekking.
  • Bij blaasverlamming moet de blaas regelmatig geleegd worden met behulp van een katheter.
  • Indien het paard moeilijk kan mesten, kan het paard gelaxeerd worden door middel van het toedienen van paraffine. Paraffine wordt via een maagsonde, die door de dierenarts via de neus ingebracht wordt, aan het paard gegeven. Het is een olieachtige vloeistof die ervoor zorgt dat de passage van darminhoud makkelijker verloopt.
  • Wanneer het paard een dusdanig rectum (endeldarm) verlamming heeft dat het helemaal niet meer zelf kan mesten, moet de mest uit het rectum verwijderd worden. Antibiotica kunnen toegediend worden om secundaire infecties met bacteriën te voorkomen.
  • De verlamming ontstaat door schade in het ruggenmerg veroorzaakt door een ontstekingsreactie. Geprobeerd kan worden om deze te remmen met corticosteroïden. Corticosteroïden hebben een ontstekingsremmende en een sterke zwellingsremmende werking.
  • Vitamine B kan toegediend worden omdat het het herstel van zenuwweefsel bevorderd.
  • In enkele gevallen zijn er wel eens virusremmers toegediend aan paarden. Het is nog niet duidelijk of en in welke mate dit een gunstig effect heeft. 
  • Bij de oogvorm kan het aangetaste oog behandeld worden met zalf dat een virusremmend middel bevat. Gedurende de eerste dagen moet het oog 6-8 maal per dag gezalfd worden. Wanneer na enkele dagen verbetering optreedt dan kan er minder vaak gezalfd worden. In totaal zal er minstens 3 weken behandeld moeten worden.

Preventief

Doordat op een stal waar Rhinopneumonie een rol speelt regelmatig opnieuw infecties op zullen treden, hebben veel paarden een redelijke weerstand. Het apart zetten van zieke dieren heeft dan ook weinig zin. Mede omdat het virus heel snel “door de stal gaat”. Vaak worden paarden twee maal geënt tegen Rhinopneumonie met een tussentijd van 4 tot 6 weken, waarna de enting ieder half jaar wordt herhaald. Waarschijnlijk is dit genoeg om verkoudheden veroorzaakt door dit virus voor een groot deel te voorkomen. Geadviseerd wordt om drachtige merries om de drie maanden te vaccineren. Dit biedt gedeeltelijke bescherming tegen het plaats vinden van abortus.

Naar alle waarschijnlijkheid is de enting niet of nauwelijks effectief tegen de neurologische vorm. Op stallen waar paarden regelmatig gevaccineerd worden, kunnen bij een uitbraak van EHV toch paarden met verlammingsverschijnselen aangetroffen worden. Wel kan de enting ervoor zorgen dat het virus minder gemakkelijk “door de stal” kan gaan. Besmette dieren verspreiden het virus dan minder lang. Daardoor wordt de infectiedruk op een stal lager. Als er op een stal al een besmetting aanwezig is het af te raden om op dat moment te vaccineren.

Droes

Achtergrond

Droes is een besmettelijke ziekte die veroorzaakt wordt door een bacterie Streptococcus equi. De droesbacterie wordt overgebracht via de pussige neusuitvloeiing en het pus uit besmette lymfeknopen. De mens kan het ook overbrengen via pus aan de kleding, schoenen of handen. Bijna alle paarden maken de ziekte een keer door, vooral op jeugdige leeftijd. Door herhaald contact met de bacterie blijft er afweer aanwezig in het paard. Toch zijn er paarden die op een leeftijd van 10 jaar alsnog weer droes krijgen. Bij die paarden is er geen herhaald contact met de bacterie geweest en is de afweer laag geworden. Maar ook paarden met een andere ziekte onder de leden zijn gevoelig voor droes. Overdracht kan ook plaats vinden als een hengst met droes een merrie dekt (dekdroes). Of van veulen op merrie tijdens het drinken waardoor de merrie een ontsteking van de uierlymfeknopen krijgt. De bacterie dringt via het neus- of keelslijmvlies het lichaam binnen. Het veroorzaakt een ontsteking waarbij de lymfeknopen ontstoken raken en pus produceren. Vaak zijn het de keellymfeknopen die ontstoken raken.

Symptomen en diagnose

Droes gaat gepaard met verschillende symptomen in verschillende stadia. In het acute stadium is het paard erg ziek. Het heeft een ontsteking van neus, keel en strottenhoofd. De keelontsteking maakt het slikken pijnlijk en soms staat het paard met gestrekte hals. Het paard kan het benauwd hebben en hoesten. Uit de neusgaten kan eerst helder vocht komen, wat later overgaat in pusachtig slijm. Het heeft dan een rochelende ademhaling en tranende ogen. Het heeft hoge koorts wat kan oplopen tot 40 graden Celsius. Daardoor is het suf en lusteloos. In een later stadium ontstaan grote zwellingen van de keellymfeknopen die in verloop van de tijd een abces worden. Door de opzwelling van de keellymfeknopen is het pijnlijk om te eten en drinken. Pas als de abcessen in de lymfeknopen doorbreken naar buiten of naar de keel wordt de druk op de keelstreek minder. Men ziet dan pus aan de onderkant van de kaak of soms via de neusholte naar buiten komen. Dan zakt de koorts en zal het dier wat meer gaan eten en drinken.

Bij verslagen droes ontstaan er abcessen in de lymfeknopen door het hele lichaam heen. Vaak doen dan de darmlymfeknopen mee.

Bij dekdroes ontstaat er abcessen in en rond de schaamlippen. De dierenarts kan dan in de bekkenholte een grote massa voelen; lymfeknopen met abcessen erin.

Therapie en diagnose

Aan de hand van de symptomen (koorts, pijnlijke keel, gezwollen keellymfeknopen) is de diagnose keelontsteking te stellen. Als er pus uit de lymfeknopen komt is de diagnose droes aannemelijk. De therapie is erop gericht om het paard te ondersteunen en ervoor te zorgen dat het blijft eten en drinken. Er worden NSAID’s toegediend om de (keel) pijn te verzachten en de koorts te remmen. NSAID’s zijn middelen die pijnstillend, ontstekingsremmend en koorts verlagend werken, vergelijkbaar met paracetamol voor humaan gebruik. Als er nog geen abcessen gevormd zijn, maar de diagnose droes wel gesteld, kan er besloten worden antibiotica te geven. Indien de diagnose wordt gesteld nadat zich abcessen hebben gevormd, moet de dierenarts ze soms open snijden op het pus te verwijderen. De abcessen moeten rijpen wat versneld kan worden door ze in te smeren met trekzalf. Als de abcessen zijn opengebroken ontstaan er gaatjes waaruit het pus vloeit. Die moeten open gehouden worden en gespoeld worden met milde ontsmettende vloeistoffen. Als het niet drinkt kan de dierenarts een infuus geven. Indien ze geen vast voedsel willen eten kan er slobber vertrekt worden.

Belangrijk bij een paard met droes is dat het geen andere paarden besmet. Belangrijk daarbij is hygiëne. Zet een ziek paard in een aparte box. Laat paarden niet snuffelen met een besmet paard. Was je handen en zorg voor schone kleding wanneer je bij een paard met droes bent geweest. Temperatuur gezonde paarden in de buurt van een paard met droes 2 maal daags. Als het een temperatuurstijging heeft is het aan te bevelen het paard met antibiotica te behandelen en dit paard ook apart te zetten.

Preventief

Er is een vaccinatie tegen de bacterie Streptococcus equi. Het entschema (zie hierboven) is per paard verschillend en kan worden toegepast bij paarden vanaf een leeftijd van 4 maanden. Paarden met een hoog risico op droes, kunnen om de 3 maanden gevaccineerd worden. Paarden met een gemiddeld risico kunnen om de 6 maanden gevaccineerd worden. Het vaccin wordt toegediend door injectie van een kleine dosis in de bovenlip. Hierdoor ontstaat een kleine puist aan de binnenkant van de lip. Dit is normaal en verdwijnt na een paar dagen. Er kan een zwelling van de bovenlip ontstaan, dit is over het algemeen niet pijnlijk. Als paarden gevaccineerd zijn wil dat niet zeggen dat ze geen droes kunnen krijgen. Alleen zullen de symptomen dan milder zijn.

Naar boven Disclaimer Paard en Gezondheid