Spat

Het spronggewricht bestaat in feite uit vier gewrichten waarvan eigenlijk maar één gewricht, het bovenste gewricht, voor de beweeglijkheid zorgt.

Achtergrond

Het spronggewricht bestaat in feite uit vier gewrichten waarvan eigenlijk maar één gewricht, het bovenste gewricht, voor de beweeglijkheid zorgt. De andere gewrichten leveren een veel kleinere bijdrage aan de beweeglijkheid. Bij spat is één van deze gewrichten aangedaan en dan met name de onderste gewrichten van het spronggewricht (meestal het distale intertarsaalgewricht). Spat is dus in feite niets anders dan artrose van een van de gewrichtjes van het spronggewicht.

spronggewricht spronggewricht
De foto's 1a en 1b tonen een spronggewricht. De meest linker foto toont het spronggewricht vanaf de zijkant gezien, terwijl de rechter foto het gewricht vanaf de voorkant laat zien. Het bovenste gewricht wordt met een geel lijntje aangegeven en wordt het talocruraal gewricht genoemd. De groene lijn geeft het proximale intertarsaalgewricht aan. Daaronder bevindt zich het distale intertarsaal gewricht (blauw lijntje). In geval van spat is dit het gewricht dat in de meeste gevallen is aangedaan. Het onderste gewricht is het tarso-metatarsaalgewricht (rood lijntje). Dit is het gewricht tussen het onderste botje van het spronggewricht en het pijpbeen.

Artrose is een chronische degeneratieve aantasting van het gewricht. De opbouw van een gewricht staat uitgelegd bij het onderdeel artrose. Artrose begint in het kraakbeen, maar in een later stadium raken ook andere onderdelen van het gewricht betrokken. Zo kan het bot meedoen in het proces wat zich uit in botwoekering waarbij extra bot gevormd wordt of botverval waarbij de hoeveelheid bot heel lokaal afneemt.

Degeneratief betekent dat de kwaliteit van het kraakbeen vermindert en bij een ernstige aantasting van het gewricht neemt de hoeveelheid kraakbeen af, wat zich uit in beschadigingen van de kraakbeenlaag.

Spat kan te zien zijn aan de binnenkant of onderkant van het spronggewricht. Op die plaatsen wordt in sommige gevallen een verdikking zichtbaar. Het is de botwoekering die deze verdikking veroorzaakt. Spat kan zich ontwikkelen in maanden maar ook in weken.

Het ontstaan van artrose is van veel factoren afhankelijk. Herhaaldelijk licht letsel van de synoviale membraan en de kraakbeenachtige delen van het gewricht is een van de belangrijkste oorzaken.

Daarnaast speelt overbelasting van het gewricht een belangrijke rol waarbij in feite ook sprake is van heel vaak zeer licht letsel van de onderdelen van het gewricht. Overbelasting kan bijvoorbeeld ontstaan door te zware training (afhankelijk van de belastbaarheid van het paard), ongelijke of slechte kwaliteit bodem van de rijbaan, slechte stand van de hoeven of door standsafwijkingen van de benen van het paard.

Een paard kan ook éénmalig het gewricht ernstig blesseren door bijvoorbeeld een verdraaiing of een verstapping. De kans bestaat dan dat het gewricht wel herstelt, maar dat zich desondanks artrose ontwikkeld door de grote schade die ontstaan is aan het kraakbeen tijdens het ontstaan van de blessure.

Verouderingsprocessen in de kraakbeenmatrix kunnen ook een bijdrage leveren aan het ontstaan van artrose omdat hierdoor de belastbaarheid van het gewricht verminderd. Ten slotte hebben sommige paarden een erfelijk bepaalde gevoeligheid voor het ontwikkelen van artrose.

Symptomen en diagnose

De klachten kunnen wisselen van geringe stijfheid tot een ernstige kreupelheid. Meestal is de kreupelheid het meest duidelijk bij het begin van de arbeid en wordt het minder tijdens het werk. Dit wordt ook wel startkreupelheid genoemd. De kreupelheid kan zeer wisselend zijn en sluipenderwijs verergeren. In rust staat het paard met het kreupele been vaak onbelast, rustend op het toongedeelte (iets naar voren en iets naar binnen). Soms rust het paard met de voet van het zere been op de voorkant van de hoef van het gezonde been.

De kreupelheid is vaak heel duidelijk direct nadat het paard overeind komt na het liggen. De kreupelheid is zowel een belastingskreupelheid als een bewegingskreupelheid. Dit houdt in dat de kreupelheid optreedt zowel bij belasting van het pijnlijke been als bij beweging naar voren van het been, waardoor de pas verkort wordt. Het paard treedt te weinig door op het zere been (veert te weinig in de gewrichten met name zichtbaar in het kootgewricht) omdat het dier het been minder goed wil belasten. Het paard kan meer dan normaal op de toon neer komen en belast daardoor de verzenen minder. Het zere been maakt dus minimaal contact met de bodem. Doordat het paard het liefst op de toon neerkomt, gaat het nogal eens overkoot lopen. Dit betekent dat de kogel meer naar voren knikt tijdens de beweging.

Soms wordt er zo veel nieuw bot gevormd dat er een totale vergroeiing van het gewricht plaats vindt. Vaak zal de kreupelheid dan verminderen en kan zelfs helemaal verdwijnen. Aangezien de onderste gewrichten van het spronggewricht een zeer geringe bijdrage leveren aan de beweeglijkheid van het totale gewricht zal het paard dan verder goed kunnen functioneren. Het is mogelijk om de botwoekering als harde zwelling (botnieuwvorming) waar te nemen. Een positieve buigproef van de sprong (spatproef) is een aanwijzing voor spat. Dit houdt in dat de dierenarts de sprong een tijd lang gebogen houdt waarna het paard moet weg draven. Als het dan kreupel loopt is de buigproef positief. Alleen een paard met een knie- of heupaandoening kan ook een positieve ‘spatproef’ vertonen, want tijdens het buigen van de sprong worden ook de knie- en de heupgewrichten gebogen. Dan kan er met behulp van plaatselijke verdoving of een verdoving in het gewricht aangetoond worden dat het probleem in de sprong zit. Bij verdoving van de pijnlijke plek zal het paard weer rad gaan lopen.

Op een röntgenfoto kunnen veranderingen die passen in het beeld van artrose zichtbaar worden. Kraakbeen is niet zichtbaar op de foto, maar de secundaire botveranderingen wel. Wanneer de hoeveelheid kraakbeen minder wordt kan de gewrichtsspleet smaller worden omdat de botdelen dichter tegen elkaar aan komen te liggen. Uiteraard zijn de botwoekeringen en het botverval ook zichtbaar op de röntgenfoto.

röntgenfoto van een gezond spronggewricht röntgenfoto van een gezond spronggewricht
Foto 2A en 2B tonen een röntgenfoto van een gezond spronggewricht (tarsus) vanaf de zijkant genomen. Het spronggewricht bestaat in totaal uit vier gewrichten. Op foto 2B zijn de volgende nummers bijgevoegd: 1) Het scheenbeen (tibia); 2) Het hielbeen (calcaneus); 3) Het sprongbeen (talus) met de twee rolkammen (met rode lijntjes aangegeven) die een belangrijk onderdeel vormen van het talocruraalgewricht; 4) Het bovenste (proximale) intertarsaalgewricht waarbij de gewrichtspleet met een blauw lijntje is aangegeven. 5) Het onderste (distale) intertarsaal gewricht; 6) Het tarso-metatarsaalgewricht, het gewricht van de sprong (tarsus) naar het pijpbeen (metatarsus).
Tussen het scheenbeen en de talus (sprongbeen) bevindt zich het talocruraalgewricht. Verreweg de meeste beweeglijkheid is mogelijk in dit gewricht. Spat komt met name voor in het distale intertarsaalgewricht. Op deze foto is te zien dat de begrenzingen van de botjes die dit gewricht vormen mooi strak en duidelijk zijn en de gewrichtspleten zijn eveneens duidelijk zichtbaar. 7) Het pijpbeen (metatarsus); 8) Het griffelbeentje.

röntgenfoto van een normaal spronggewicht röntgenfoto van een normaal spronggewicht
Foto 3A en 3B tonen een röntgenfoto van een gezond spronggewricht vanaf de voorkant gezien. 1) Het scheenbeen; 2) Het sprongbeen; 3) Het pijpbeen; 4) De griffelbeentjes. A) Het proximale intertarsaalgewricht; B) Het distale intertarsaalgewricht; C) Het tarso-metatarsaal gewricht. Ook hier is weer te zien dat de begrenzingen van alle botjes mooi glad en strak zijn en de gewrichtsspleten zijn duidelijk zichtbaar. Het Talocruraalgewricht bevindt zich weer tussen het scheenbeen en het sprongbeen in.

röntgenfoto van een paard röntgenfoto van een paard
Foto 4A en 4B tonen een röntgenfoto van een paard met spat oftewel artrose van het distale intertarsaalgewricht. Deze foto is vanaf de zijkant geschoten. In het rode kadertje is te zien dat de gewrichtspleet niet meer duidelijk als een zwart lijntje aanwezig is. De botjes die het distale intertarsaalgewricht vormen zijn niet goed begrensd. De belijning van deze botjes is grillig. De gewrichtspleet heeft een beetje een wolkerig aspect. Dit duidt op botnieuwvorming en botoplossing.

röntgenfoto van hetzelfde paard röntgenfoto van hetzelfde paard
Foto 5A en 5B tonen een röntgenfoto van hetzelfde paard als foto 4. Nu is de foto geschoten van de voorkant. Ook hier is in het rode kadertje de grillige belijning van de tarsaalbotjes te zien en het wolkerige aspect van de gewrichtsspleet van het distale intertarsaalgewricht wat duidt op botoplossing en botnieuwvorming. Tevens kunnen we op deze foto zien dat het de binnenzijde van het been betreft. De voorkeurslocatie voor het ontstaan van spat is het distale intertarsaalgewricht en de binnenzijde van dit gewricht.

Therapie

Artrose kan niet genezen, omdat de aantasting van het gewrichtskraakbeen niet kan worden teruggedraaid. Kraakbeen is een weefsel dat zich zeer langzaam herstelt. Ter vergelijking: De binnenste laag van de darmen, het slijmvlies vervangt zichzelf iedere vier dagen volledig. Kraakbeen doet hier vele malen langer over dan de gemiddelde leeftijd van een paard. Daarom moet er alles aan worden gedaan om te voorkomen dat de aandoening ontstaat. Wel is het mogelijk dat een paard met spat weer volledig functioneel wordt en dus geen kreupelheid toont ten gevolge van de artrose. Echter op de röntgenfoto zal de aandoening altijd zichtbaar blijven. Er zijn een aantal punten van belang voor de preventie en de therapie.

  • De preventie begint al bij de opgroeiende veulens. Jonge paarden moeten niet overvoerd worden en zich natuurlijk kunnen ontwikkelen. Dit betekent onder andere dat ze voldoende bewegingsvrijheid moeten hebben als veulen bij de merrie en tijdens de latere opfokperiode.
  • Trainingsmethoden moeten altijd in overeenstemming zijn met de leeftijd en het niveau van het paard. Daarbij is ook van belang dat paarden getraind worden op een goede bodem.
  • Tijdens de training is aandacht voor het "rechtgericht zijn" van het paard van groot belang. Een niet-rechtgericht paard zal altijd zijn benen ongelijk en onjuist belasten waardoor blessures en artrose eerder optreden. Op deze site staat onder het kopje "paard en beweging" een uitgebreid artikel over het trainen van paarden en het belang van symmetrie en balans.
  • Gewrichtsletsels moeten direct worden onderzocht en behandeld. (Licht) gewrichtsletsel moet de tijd krijgen om goed te herstellen voordat het paard weer in het werk genomen wordt.

Voor de paarden waarbij spat zich heeft ontwikkeld, zijn er behandelingsmethoden die de conditie verlichten en de ontstekingsreactie in het gewricht te remmen:

  • Een rustperiode (geen totale boxrust) kan goed zijn in het begin van de therapie, maar in de praktijk blijkt dat regelmatig trainen aan de hand en een geleidelijke opbouw van de zwaarte van het werk goed zijn om het herstelproces van het lichaam te activeren.
  • Orthopedisch beslag; spatbeslag. Bij ‘spatbeslag’ wordt het beslag aan de buiten/achterkant verhoogd en aan de binnen/voorkant verlaagd (‘binnen door zetten’). Dit verandert de stand van het spronggewricht enigszins. Mogelijk wordt daardoor de belasting in dit gewricht iets anders, wat ervoor kan zorgen dat het paard minder pijn ondervindt tijdens het bewegen.
  • Fysiotherapie waaronder het passief bewegen van het gewricht en ter ondersteuning van het herstel van andere klachten die ontstaan zijn door de kreupelheid. Regelmatig ontwikkelen paarden met een kreupelheid die wat langer aanhoudt rugklachten. Fysiotherapie kan dan een aanvullende rol spelen voor de revalidatie van het paard.
  • Behandeling met corticosteroïden in het gewricht zorgt voor ontstekingsremming waardoor de vicieuze cirkel van kraakbeenschade waardoor een ontstekingsreactie ontstaat die gevolgd wordt door meer kraakbeenschade en meer ontstekingsreactie doorbroken wordt. Er is echter groeiend bewijs dat langdurig gebruik niet goed is omdat corticosteroïden op de lange termijn een negatief effect hebben op de gezondheid van het kraakbeen.
  • Niet-steroide ontstekingsremmende (NSAID’s) medicijnen zijn de meest gebruikte medicijnen om de pijn te verlichten en een bijdrage te leveren aan het remmen van de ontstekingsreactie in het gewricht. Deze medicatie wordt oraal (langer periode) of per injectie toegediend.
  • Voor de behandeling op lange termijn zijn hyaluronzuur en glycosamino-glycanpolysulfaat en voedingssupplementen die collageen bevatten bruikbaar. Deze preparaten werken door de bouwstenen te leveren voor de opbouw en het behoud van gezond kraakbeen (met name de kraakbeenmatrix) en hebben daarnaast waarschijnlijk een ontstekingsremmende werking. Hyaluronzuur kan ook in het gewricht toegediend worden.
  • Chirurgie; het spronggewricht kan met schroeven vastgezet worden of met behulp van chirurgie kan de botnieuwvorming gestimuleerd worden zodat het gewricht vergroeid. Dit gebeurt door het uitboren van het kraakbeen zodat de botdelen vergroeien met elkaar. Zodra de vergroeiing voltooid is kan het paard meestal weer zonder pijn bewegen. Omdat de onderste gewrichten weinig bijdragen aan de beweeglijkheid van het spronggewricht, gaat dit dus niet of nauwelijks ten koste van de bewegingsmogelijkheden van het totale gewricht.
  • Ook tijdens de revalidatieperiode is training van belang. Het kraakbeen zal zich niet meer anatomisch herstellen. Dit wil zeggen dat kraakbeen niet meer in de oorspronkelijke staat terug zal keren. Dit weefsel kan zich wel functioneel herstellen, waarbij het weefsel ondanks de opgetreden schade toch in staat is om zich aan te passen aan de omstandigheden en toch goed kan functioneren. Door het geven van goed aangepaste beweging zal het kraakbeen beter doorbloedt worden waardoor het beter kan herstellen en zal het weefsel geprikkeld worden om zich aan te passen aan de belasting. Hierbij is het van groot belang om overbelasting te voorkomen. Een bewegingsschema moet dan ook in overeenstemming zijn met de belastbaarheid van het gewricht en daarnaast zal het "rechtrichten" van het paard voor een gelijke en correcte belasting van de benen van het paard zorgen.

traing is van belang

Neem contact op met uw dierenarts als uw paard (langdurig) kreupel is. De ingestelde therapie hangt van veel factoren af. Alleen uw dierenarts kan bepalen wat de oorzaak van de kreupelheid is en welke therapie op dat moment het beste is.

Naar boven Disclaimer Paard en Gezondheid