Hoefkatrol

Podotrochleose is een degeneratieve aandoening in het gebied van de hoefkatrol.

Podotrochleose is een degeneratieve aandoening in het gebied van de hoefkatrol. Ook wel ‘hoefkatrolontsteking’ genoemd, terwijl er meestal van een echte ontsteking geen sprake is. In het Engels wordt de aandoening ‘navicular disease’ genoemd.

Achtergrond

Hoefbevangenheid is een ontsteking tussen de hoornwand (hoefwand) en de voorzijde van het hoefbeentje. Het komt meestal voor aan beide voorbenen, maar het kan ook rondom voorkomen of zelfs aan 1 been of alleen de achterbenen. Bij alle paardenrassen kan hoefbevangenheid voorkomen, maar Shetlanders, tinkers, haflingers, fjorden en koudbloeden in het algemeen zijn gevoeliger. De ondervoet van het paard is opgebouwd uit het pijpbeen, het kootbeen, het kroonbeen en het hoefbeentje.

Opbouw van de OndervoetFoto 1: opbouw van de ondervoet van het paard.

Van boven naar beneden:
- blauw omlijnd; pijpbeen
- roze omlijnd; kootbeen
- groen omlijnd; kroonbeen
- geel omlijnd; hoefbeen

 

 

Foto 2: kootgewricht en sesambeentjes
groen omlijnd; kootgewricht, oranje omlijnd; sesambeentjes
Kroongewricht

Foto 3: kroongewricht, hoefgewricht en straalbeentje
geel omlijnd; kroongewricht, roze omlijnd; hoefgewricht, groen omlijnd; straalbeentje, blauwe lijn; buigpees, rode lijn; slijmbeurs
Kroongewricht

De hoefkatrol bestaat uit verschillende onderdelen. Aan de achterzijde van het hoefgewricht dat in de hoefschoen ligt, bevindt zicht het straalbeentje. Dit kleine botje is bedekt met een dun laagje kraakbeen, waardoor de buigpees makkelijk over het botje heen beweegt. De buigpees die aan de achterzijde van het been loopt en aanhecht aan het hoefbeentje is van belang voor het buigen van de ondervoet. Tussen de diepe buigpees en het straalbeentje ligt een slijmbeurs (foto 3) die synovia (gewrichtsvloeistof) bevat. Een slijmbeurs is een soort zakje, gevuld met geleiachtige vloeistof, waardoor het glijden van de pees over, in dit geval, de achterzijde van het straalbeentje nog verder wordt bevorderd. Het straalbeentje is met een aantal kleine ligamentjes (bandjes) bevestigd aan het hoefbeen en het kroonbeen, die samen het hoefgewricht vormen. Door middel van deze ligamentjes wordt voorkomen dat het straalbeentje verschuift. De diepe buigpees, de slijmbeurs, de ligamentjes en het straalbeen vormen samen de hoefkatrol.

Over de oorzaak van podotrochleose zijn verschillende theorieën bekend. In eerste instantie werd aangenomen dat podotrochleose ontstaat op basis van verminderde of verstoorde doorbloeding in het hoefkatrolgebied, waardoor er een te kort aan zuurstof en voedingsstoffen in dit gebied ontstaat. Hierdoor neemt de kwaliteit van de onderdelen van de hoefkatrol af waardoor er pijnklachten kunnen ontstaan. Verder onderzoek toont aanwijzingen dat podotrochleose een kwestie is van mechanische overbelasting. Door een verkeerde belasting van het straalbeentje zou er een soort trilling kunnen ontstaan waardoor warmte ontwikkeld wordt in de ondervoet die ervoor zorgt dat de onderdelen van de hoefkatrol beschadigd raken. Naast deze twee theorieën bestaat ook de gedachte dat hoefkatrolontsteking te vergelijken is met RSI (repetitive strain injury) bij mensen. Daarnaast is er waarschijnlijk sprake van een erfelijke component.

Symptomen en diagnose

Hoefkatrolontsteking komt bij alle rassen voor en het kan paarden van alle leeftijden treffen. Meestal worden paarden met deze problemen aangeboden op een leeftijd tussen de 6 en 10 jaar. Het zijn eigenlijk altijd de voorbenen die met dit probleem te maken krijgen en vaak zijn beide voorbenen betrokken. De kreupelheid of veranderingen van de beweging van het paard beginnen geleidelijk. Aangezien hoefkatrolontsteking vaak wordt aangetroffen in beide voorbenen gaat het paard geleidelijk korter en stijver bewegen. Soms zijn de klachten heel vaag. Een paard dat minder graag wil werken of onprettig in de aanleuning is geworden. Regelmatig wordt als klacht genoemd dat het paard frequent struikelt. Meestal is de aandoening ernstiger in 1 van de voorbenen waardoor een paard ook kreupel kan gaan lopen. Op zachte bodem loopt het paard vaak heel acceptabel. Op harde bodem zal het dier korter en stijver gaan bewegen en op de harde volte zal het paard een kreupelheid tonen aan het binnenbeen. Het is een kreupelheid die kan wisselen in ernst, na een rustperiode verbetert of verdwijnt maar vaak weer terugkomt. Doordat de achterste hoefhelft pijnlijk is wil het paard dit deel van de hoef minder goed belasten waardoor een hoge nauwe hoef kan ontstaan. De verzenen worden hoger en de zool is meer uitgehold. Drukken in de kootholte kan pijnlijk zijn omdat dit druk geeft op de aanhechting van de diepe buiger aan hoefbeen. Wanneer het achterste gedeelte van de onderzijde van de hoef beklopt wordt met een hamertje kan dit ook een pijnreactie van het paard geven. De buigproef van de ondervoet is veelal positief. Bij de buigproef van de ondervoet wordt het kootgewricht onder een hoek van ongeveer 90 graden 1 minuut lang aangespannen. Hierbij worden onder andere de onderdelen van het hoefkatrol systeem onder spanning gebracht. Het paard moet na 1 minuut meteen wegdraven. Wanneer de kreupelheid in ernst is toegenomen en gedurende een behoorlijk aantal passen blijft bestaan wordt de buigproef positief genoemd. Om de verdenking dat de kreupelheid veroorzaakt wordt door een probleem in de ondervoet te bevestigen kunnen verdovingen gezet worden. In de kootholte wordt aan de binnen- en de buitenzijde een beetje verdovende vloeistof ingespoten op de plaats waar de zenuw loopt die de ondervoet innerveert. Na deze verdoving zal een paard met podotrochleose niet meer of nauwelijks kreupel zijn of juist kreupel worden aan het andere voorbeen. Uiteraard kan dan besloten worden om dat voorbeen ook uit te verdoven waardoor het paard weer zo goed als rad zal lopen.

Foto 4: toont een röntgenfoto van het straalbeentje
Straalbeente

Verdere diagnostiek bestaat uit het nemen van een röntgenfoto. Op de foto kunnen afwijkingen aan het straalbeen (foto 4; wit omlijnd) zichtbaar zijn. Afhankelijk van de rand van het straalbeen en de mate waarin de voedingskanalen zijn gevormd, is er een kwalificatie te geven die van 0 tot 4 loopt. Een hogere score betekent een slechter straal been. De interpretatie van de röntgenfoto is niet heel eenvoudig. Uit de praktijk blijkt dat paarden met een ernstige kreupelheid vanuit de ondervoet soms toch een goed straalbeentje hebben. Andersom is ook mogelijk. Wanneer bij een paard een slecht straalbeentje gevonden wordt wil dit niet per definitie zeggen dat het dier kreupel is. Sterker nog, er zijn genoeg paarden die prima in de sport presteren met minder goede straalbeentjes.

Wanneer er sprake is van een goed straalbeentje, maar toch een kreupelheid vanuit het hoefkatrol systeem, spelen de andere onderdelen zoals de ligamentjes, de slijmbeurs en de aanhechting van de diepe buigpees een rol. Deze zijn niet te beoordelen op de foto, maar kunnen wel met behulp van CT en MRI in beeld gebracht worden.

Verder kunnen als aanvullend onderzoek genoemd worden, scintigrafie, thermografisch onderzoek en echografie, maar het maken van een echo wordt bemoeilijkt door de hoefschoen die om de hoefkatrol heen zit. Tijdens een thermografisch onderzoek kunnen warmte verschillen gemeten worden.
Straalbeente

Foto 5: toont een röntgenfoto van een gezond paard zonder kreupelheidsproblemen. Het straalbeentje ziet er goed uit.
1) Kootbeen; 2) Kroonbeen; 3) Straalbeentje; 4) Hoefbeentje; A) Kroongewricht; B) Hoefgewricht. Het straalbeentje is omlijnd met de oranje lijn.
Straalbeente

Foto 6: toont een röntgenfoto van een paard met kreupelheidsklachten.
Na uitverdoven bleek de kreupelheid vanuit de ondervoeten te komen en werd besloten om röntgenfoto’s te maken. De foto toont een straalbeentje waarbij de voedingskanaaltjes duidelijk afwijkend zijn. Ze zijn breed en eindigen in een bolletje. Dit worden lollipops of atoombommetjes genoemd. Dit paard kreeg als classificering een straalbeentje klasse 3.
Straalbeente Opbouw van de Ondervoet

Therapie

Vaak wordt besloten om het paard een periode van rust en / of onbelast bewegen voor te schrijven al of niet in combinatie met NSAID’s. NSAID’s zijn middelen die pijnstillend, ontstekingsremmend en koortsverlagend werken, vergelijkbaar met paracetamol voor humaan gebruik. Tegelijkertijd is het belangrijk om te zorgen voor optimaal hoefbeslag. Ter behandeling van podotrochleose zijn veel verschillende vormen van orthopedisch hoefbeslag beschikbaar. Dit zal dus goed overlegd moeten worden met de dierenarts en de hoefsmid. Soms geeft het plaatsen van wiggen een goed effect. Door de wiggen worden de verzenen verhoogd. Dit geeft een vermindering van de druk in het gebied van de hoefkatrol. Ook kan ervoor gekozen worden om een eggbar ijzer (een eivormig gesloten ijzer) toe te passen of krijgt het paard beslag met extra opzet. Een opzet is vergelijkbaar met de punt van een hardloopschoen. De zool aan de voorzijde van de hardloopschoen loopt iets op. Ditzelfde geldt voor een opzet en zorgt ervoor dat het paard makkelijker over de toon (punt van de hoef) weg kan rollen waardoor de belasting in het achterste deel van de hoef afneemt. Er kan ook gebruik gemaakt worden van een teruggelegd ijzer. Dit is een voorijzer met twee lippen waardoor de toon van de hoef iets over het ijzer uit kan steken. Dit samen met een opzet zorgt ervoor dat het paard heel makkelijk over de toon kan rollen. De verschillende soorten beslag kunnen gecombineerd worden met een zooltje al of niet met siliconen. Een zooltje zorgt voor schokdemping in het hoefkatrol gebied. Sommige paarden zijn echter juist gebaat bij goed bekappen en verder geen beslag.

Na een periode van rust kan het paard weer in het werk genomen worden en volgens een schema opgebouwd worden.
Vaak worden bij paarden die wat langere tijd kreupel zijn ook rugklachten aangetroffen. Zodra de kreupelheid verdwijnt, is de kans groot dat deze rugklachten verminderen of herstellen. Ook kan ervoor gekozen worden om het paard door een fysiotherapeut of een manueel therapeut te laten behandelen en het dier zo te ondersteunen tijdens het herstel.

Naast de NSAID’s kunnen ook medicijnen gebruikt worden om de doorbloeding in de hoef te verbeteren. Deze medicijnen vallen onder de antistollingsmiddelen. Lokale therapie bestaat uit het injecteren van hyaluronzuur en/ of corticosteroïden in bepaalde onderdelen van de hoefkatrol. Hyaluronzuur zorgt voor een betere smering en corticosteroïden zorgen voor ontstekingsremming.

De prognose is afhankelijk van een heleboel factoren. De ernst van de kreupelheid, de reactie op hoefbeslag en de therapie, maar ook van de verwachtingen die het paard waar moet maken. Aangezien er gedacht wordt dat hoefkatrolontsteking misschien vergelijkbaar is met RSI klachten bij de mens is het van belang om de manier van training onder de loep te nemen. Krijgt het paard afwisseling in het werk, wordt het op een goede bodem getraind en hoe hoog is de belasting van het dier. Als het dier tevens rugklachten heeft kan dit ervoor zorgen dat de klachten van de ondervoeten snel terugkomen. Tijdens de training is het van belang dat het dier recht gericht wordt, en de benen, zowel voor als achter, goed naar voren plaatst. De volledige pas van een paard bestaat uit een pas naar voren en een pas naar achteren. Die zijn in principe even groot. Wanneer het paard zijn voorbeen amper voor het lichaam plaats, is de pas naar achteren ver onder het lichaam geplaatst. Dit zorgt voor een grotere belasting van de pezen en daardoor ook voor een hogere belasting van de aanhechting van de diepe buiger op het hoefbeentje. Op deze site is onder het kopje "paard en beweging" een uitgebreid artikel geplaatst over de training van het paard.

Raadpleeg een dierenarts als uw paard kreupel is. De therapie hangt van verschillende factoren af. Alleen uw dierenarts kan bepalen welke therapie op dat moment het beste is.

Naar boven Disclaimer Paard en Gezondheid