Fracturen en fissuren

Een botbreuk is een van de ernstigste aandoeningen van het bewegingsapparaat bij het paard.

Een botbreuk is een van de ernstigste aandoeningen van het bewegingsapparaat bij het paard. Gelukkig zijn er de laatste jaren meer en betere technieken ontwikkeld zodat het aantal paarden wat goed herstelt zeker toegenomen is.

Een botbreuk wordt ook wel een fractuur genoemd. Dit betekent dat het bot echt gebroken is. De breuklijn loopt dan van de ene kant van het bot naar de andere kant.
Een fissuur is een scheurtje in het bot. Deze begint aan een kant, maar loopt niet door tot aan de andere kant. Deze stopt ergens in het bot zelf.

De symptomen hangen af van welk bot gebroken is. Als een paard een bot in zijn breekt dat een dragende functie heeft zal het dier acuut en ernstig kreupel lopen of (in veel gevallen) niet meer op het desbetreffende been willen staan. De functie van het been is dan ook verstoord. Het paard kan zijn been niet meer gebruiken.

Bij bijvoorbeeld breuken van het pijpbeen kan er een abnormale beweeglijkheid zichtbaar zijn, alsof er een extra gewricht in het pijpbeen zit op de plaats van de breuk. Het kan zelfs zo zijn dat het deel van het been onder de breuk los bungelt. Een paard met een ernstige fractuur weigert om te lopen en toont veel pijn. Buiten dat hij het zere been ontlast zijn vaak andere pijnuitingen zichtbaar zoals vergrote neusgaten, wat versnelde ademheling en grote ogen. Het paard kan onrustig zijn of juist erg timide.

In het geval van een fissuur kunnen de symptomen ongeveer hetzelfde zijn, maar het komt ook regelmatig voor dat het paard een matige tot geringe kreupelheid toont. Dit zijn lastige gevallen om te diagnosticeren en het gevaar is dat de fissuur overgaat in een fractuur als het paard zijn been belast.

Paarden kunnen op meerdere manieren een fractuur of fissuur oplopen. Bijvoorbeeld door een verkeerde beweging, een verdraaiing of verstapping, tijdens een val, vastliggen of door een klap van een ander paard.
Wanneer een paard een fractuur oploopt secundair aan een andere afwijking, wordt dit een pathologische fractuur genoemd. Pathologie betekent ziekte dus pathologische fractuur betekent letterlijk: breuk veroorzaakt door ziekte.

Bekende voorbeelden van pathologische fracturen zijn: Botontkalking waardoor de botten brozer worden en makkelijker breken en een cyste in het straalbeen wat tot een fractuur kan leiden in het straalbeentje zelf.

Fracturen worden onderverdeeld aan de hand van de vorm. Er zijn eenvoudige fracturen (met slechts 1 breuklijn), meervoudige fracturen waarbij er sprake is van meerdere breuklijnen of communitieve fracturen waarbij het bot verbrijzeld is en er dusdanig veel breuklijnen zijn dat het bot als het ware in stukjes uiteen ligt.
Verder kan de breuklijn, dwars lopen door het bot, in de lengterichting, schuin of spiraalsgewijs. Belangrijk is om vast te stellen of er sprake is van een luxatie waarbij de botdelen ten opzichte van elkaar verplaatst zijn of dat deze nog op de juiste plek liggen. Uiteraard moet bij de behandeling ervoor gezorgd worden dat de botdelen weer correct tegen elkaar aan liggen.

Verder wordt er gekeken of de fractuur intra-articulair is of niet. Dit wil zeggen dat gecontroleerd wordt of de breuklijn uitkomt in een gewricht. Zo ja dan zorgt dit vaak voor een minder goede kans op volledig herstel.

Een ander belangrijk punt is of de fractuur open of gesloten is. Een gesloten fractuur is gunstiger dan een open fractuur omdat bij een open fractuur de breuklijn mogelijk in verbinding staat met de buitenwereld door een verwonding van de huid en onderliggende weefsels. Hierdoor kan de breuk geïnfecteerd raken met bacteriën en dit is erg nadelig voor de genezing en de kans op volledig herstel. Een breuk kan open raken door trauma van buitenaf dus bijvoorbeeld wanneer een paard een klap van een ander paard krijgt, maar wanneer het paard zijn been gebroken heeft kunnen de scherpe botdelen door de huid heen steken waardoor een verwonding van binnenuit ontstaat. Dit is een belangrijke reden om een paard met een fractuur in een goed spalkverband of cast te zetten voor het naar een kliniek te vervoeren.

De diagnose kan vaak gesteld worden aan de hand van het klinisch beeld. Het paard is meestal acuut ernstig kreupel of wil het been niet meer belasten. Abnormale beweeglijkheid van bijvoorbeeld het been is mogelijk en als het been bewogen wordt door de dierenarts dan bewegen de afgebroken botdelen langs elkaar heen wat een geluid geeft alsof je door verse sneeuw loopt, een beetje een krakend geluid. Dit wordt crepiteren genoemd. Dit is vaak ook te voelen. Rond de breuk is het been vaak gezwollen, pijnlijk bij aanraking en warm.

In sommige situaties is de toestand dusdanig ernstig en de kans op herstel zeer gering of zelfs onmogelijk dat besloten zal worden om het paard ter plekke in te laten slapen. Wanneer er nog wel mogelijkheden zijn zal besloten worden om het gebroken lichaamsdeel indien mogelijk goed te spalken en zo stevig op zijn plek te houden en het dier te transporteren naar een kliniek waar röntgenfoto’s gemaakt kunnen worden en de juiste therapie ingesteld kan worden. Het spalken zorgt ervoor dat verdere schade zoveel mogelijk wordt beperkt en het zorgt er ook voor dat het paard minder pijn heeft.

Soms wordt afgeraden om het paard een pijnstiller te geven voor tijdens het transport, omdat je natuurlijk niet wilt dat het paard zijn been gaat belasten op het moment dat hij minder pijn voelt. De ervaring leert echter dat een pijnstiller de “scherpe randjes” van de pijn wegneemt, maar zeker niet zorgt dat de pijn verdwijnt. Het paard zal dus niet zo snel zijn been belasten ondanks dat hij een pijnstiller heeft gekregen.

Aan de hand van de röntgenfoto’s kan een inschatting gemaakt worden wat de ernst van de situatie is. De mogelijkheden op herstel hangen af van welk bot gebroken is, met wat voor breuk we te maken hebben (enkelvoudig of meervoudig, dwars of in de lengterichting etc.), hoe de breuklijn verloopt, het karakter van het paard, het gebruiksdoel van het dier, de financiële situatie van de eigenaar en of de breuk open of gesloten is en of er gewrichten bij betrokken zijn. Het is dan ook onmogelijk om voor alle gevallen aan te geven wat precies de therapie is en hoe groot de kans is dat het paard (volledig) hersteld.

Op de röntgenfoto zijn de botten zichtbaar als witte tot lichtgrijze structuren. De breuklijn is zichtbaar als een zwarte lijn. In sommige gevallen, met name bij kleine fissuurtjes is het niet altijd mogelijk om de lijntjes op de foto te vinden op de dag dat deze ontstaan zijn. De breuklijntjes zijn dan zo smal en de botten liggen nog volledig op hun plaats dat het moeilijk tot niet te vinden is op de foto. Na enkele dagen tot een week is het vaak wel mogelijk om de breuklijn alsnog te vinden.

Kootgewricht Kootgewricht

Foto 1: links een röntgenfoto van het kootgewricht (bovenste gewricht) en het kroongewricht (onderste gewricht). Bij het maken van een röntgenfoto wordt er gebruik gemaakt van straling die door een bepaald lichaamsdeel wordt geschoten. Des te meer straling er opgenomen wordt door het weefsel des te witter de structuur op de foto te zien is. Botten zijn daarom afhankelijk van hun dikte wit tot lichtgrijs. Op de foto rechts is met rood de omlijning van de botten aangegeven. De weke delen die om het bot heen liggen zoals huid, spieren, pezen en bindweefsel tonen zich donkerder grijs tot bijna zwart en zijn daarom moeilijk te zien op een röntgenfoto. De gewrichtsspleten zijn met blauw aangegeven. De gewrichtsspleten zijn opgevuld met kraakbeen. Dit weefsel is niet zichtbaar op de foto en daarom lijkt het alsof er een ruimte tussen de botten zit die samen een gewricht vormen.

Het genezingsproces begint met het opruimen van dood en beschadigd botweefsel. Dit weefsel is te vinden aan de rand van de breuklijn. Het lichaam ruimt dit op met behulp van osteoclasten. Dit zijn botcellen die een opruimfunctie hebben en beschadigd botweefsel als het ware opeten. Hierdoor wordt in eerste instantie de breuklijn wat breder en minder scherp omlijnd waardoor ze makkelijker zichtbaar worden op de röntgenfoto.

Het lichaam gaat nadat al het “slechte weefsel” is opgeruimd, nieuw weefsel aanmaken dat de breuklijn zal opvullen. Dit weefsel wordt callus genoemd. Het is een soort bindweefsel dat gevormd wordt door de osteoblasten (botcellen die nieuw weefsel maken) en de chondroblasten (kraakbeencellen). In de loop van de tijd gaat dit weefsel verkalken waardoor het uiteindelijk omgevormd wordt tot bot. Zodra het dezelfde dichtheid heeft als het bestaande botweefsel is de breuklijn niet meer zichtbaar op de foto. Als de genezing voorspoedig verloopt is de callus binnen 6-8 weken verkalkt en is er weer een stevige verbinding ontstaan tussen de botdelen.

Omdat de hoeveelheid callus die aangemaakt wordt vaak wat overvloediger is dan nodig vult dit niet alleen de breuklijn op maar loopt er als het ware ook wat weefsel “ over”. Daarmee bedoel ik dat er op de plek waar de breuklijn in het bot begint en eindigt wat weefsel buiten de breuklijn gevormd wordt. Hierdoor is de omlijning van het bot niet helemaal glad en strak op de plaats van de breuk. In de loop van de tijd remodelleert dit bot zich waardoor de belijning weer mooi(er) wordt. Ook het bot in de breuklijn remodelleert zich verder zodat het zich steeds beter aanpast. Hier gaat wel enige tijd overheen en wordt gestimuleerd door (aangepaste) belasting.

Voor een breuk die dwars door het pijpbeen loopt is de overmatige callus vorming op zich geen probleem, maar wanneer een breuklijn uitkomt in een gewricht natuurlijk wel omdat het invloed heeft op de gewrichtsvlakken er secundair artrose kan ontstaan.

Om ervoor te zorgen dat een fractuur zich daadwerkelijk kan herstellen moet ervoor gezorgd worden dat de botdelen weer goed (genoeg) aansluiten en niet meer kunnen bewegen ten opzichte van elkaar. Daar zijn meerdere methoden voor beschikbaar maar meestal wordt er gebruik gemaakt van interne fixatie, oftewel van platen en schroeven of alleen schroeven. Bij het paard wordt er meestal voor gekozen om nadat het bot hersteld is de platen en schroeven weer te verwijderen omdat het botweefsel direct onder de schroeven enigszins op kan lossen waardoor de schroeven wat “ los” kunnen raken.

Bij het paard kan daarnaast nog gebruik gemaakt worden van allerlei materialen om het been te fixeren en zo de interne fixatie (in de beginperiode) te ondersteunen. In sommige gevallen kan het ook volstaan om alleen met deze materialen de breuk te fixeren. Afhankelijk van de situatie is het nodig om het paard te behandelen met antibiotica, ontstekingsremmers en pijnstillers. Uiteraard moet het paard in verreweg de meeste gevallen in het begin van de revalidatie periode boxrust hebben.

Bij jonge dieren kan de groeischijf betrokken zijn bij de breuk. Groeischijven zorgen voor de lengtegroei van de botten en het is daarom ongunstig als een breuk hier doorheen loopt. Dit kan als gevolg hebben dat de groeischijf vervroegd sluit wat betekent dat de lengtegroei verminderd is of niet correct.

De meeste fracturen bij het paard komen voor aan de benen, maar in principe is het natuurlijk mogelijk om een breuk op te lopen in ieder willekeurig botje in het lichaam. Zo worden bijvoorbeeld ook fracturen aangetroffen in schedelbeenderen en wervels. Hieronder zal ik een aantal van de meest voorkomende fracturen bespreken.

Griffelbeenfractuur

Een van de meest voorkomende fracturen van bij het paard is de fractuur van het griffelbeentje. De griffelbeentjes zijn te vinden aan de binnen- en de buitenkant van het pijpbeen aan de voor- en achterbenen. Dit botje kan breken bijvoorbeeld als gevolg van een klap van een ander paard of wanneer het paard zichzelf aantikt. Het paard kan hierdoor kreupel gaan lopen variërend van niet of nauwelijks zichtbaar tot ernstig. Dit is afhankelijk van de plek waar het griffelbeentje breekt en wat de oorzaak hiervan precies is. Als het paard een harde klap van een ander paard heeft gehad zal het been hierdoor ook erg pijnlijk zijn.

Achterbeen Achterbeen

Foto 2: Links: toont een röntgenfoto van het achterbeen van het paard. Rechts is dezelfde röntgenfoto: 1) Het spronggewricht; 2) Het pijpbeen; 3) Een griffelbeentje; 4) Een griffelbeentje. Tussen de beide griffelbeentje, aan de achterzijde van het pijpbeen bevindt zich de tussenpees.

De onderkant van het griffelbeentje dat uitloopt het in griffelbeenknopje (foto 3) ligt los van het bot. Als hier een breuk in ontstaat is het mogelijk om dit deel van het botje te verwijderen en dit is dan ook een van de meest toegepaste behandelmethoden. De bovenkant van het griffelbeentje (griffelbeenkopje; foto 3) is opgenomen in het spronggewricht of in de voorknie en het bovenste deel van dit botje ligt verbonden met het pijpbeen. Daarom wordt er in verreweg de meeste gevallen voor gekozen dit deel niet te verwijderen. Wel is het mogelijk om met behulp van een plaatje en schroeven het botje te reconstrueren en in sommige gevallen is goed herstel zonder operatie onder strikte boxrust een optie.

GriffelbeentjeFoto 3: Dit is een röntgenfoto van een paard waarbij het griffelbeentje uitgeprojecteerd is. Er is een schiefel zichtbaar. 1) Pijpbeen; 2) griffelbeentje; 2A) griffelbeenkopje; 2B) griffelbeenknopje. Omcirkeld is de plek waar de botnieuwvorming (schiefel) is ontstaan op het griffelbeentje. Op deze foto is te zien dat het bovenste deel van het griffelbeentje verbonden is met het pijpbeen, maar dat het onderste deel los ligt. Nog net zichtbaar bovenaan de foto is dat het griffelbeenkopje meedoet in het gewricht, in dit geval de voorknie.

Een griffelbeen fractuur heeft een vrij grote kans op volledig herstel. Wel is het mogelijk dat er botnieuwvorming ontstaat waardoor de tussenpees die tussen beide griffelbeentjes loopt aan de achterzijde van het pijpbeen geïrriteerd of beschadigd raakt. In feite ontstaat er dan een schiefel en een van de oorzaken voor het ontstaan van een schiefel is een fissuurtje in het griffelbeentje. Ook kan een schiefel ontstaan nadat het paard bijvoorbeeld zichzelf aangetikt heeft waardoor het botvlies van het griffelbeentje geïrriteerd is geraakt.

Straalbeenfractuur

Het straalbeentje is een klein botje in de hoef dat zich aan de achterzijde van het hoefbeentje bevindt. Het straalbeentje functioneert als katrolsysteem voor de diepe buigpees die aanhecht op het hoefbeentje. Aangezien alles wat bot is mogelijkerwijs kan breken geldt dat ook voor dit botje maar het komt niet vaak voor en meestal is dit ten gevolge van een aandoening van het straalbeentje zoals bij hoefkatrol ontsteking of een cyste.

Cyste Cyste

Foto 4 toont een röntgenfoto van een paard met een cyste in het straalbeentje. In de linker foto is de cyste met oranje omcirkeld.

Doordat de kwaliteit en daardoor de sterkte van dit botje verminderd is kan bij belasting een breuk optreden. In dit geval zijn de vooruitzichten op herstel slecht. Het botje is lastig benaderbaar voor chirurgie en als de kwaliteit slecht is zal het herstel ook niet goed verlopen.

Het straalbeentje kan ook breken als gevolg van trauma terwijl er wel gewoon sprake is van een gezond straalbeentje. Ook in dit geval zijn de vooruitzichten voor volledig herstel niet zo goed, omdat het straalbeentje erom bekend staat moeilijk en langzaam te genezen.
Behalve een volledige fractuur kunnen er ook chip fracturen optreden. Dit zijn breukjes waarbij een klein stukje van een botje afbreekt. Dit wordt ook meestal aangetroffen in combinatie met hoefkatrol ontsteking.

Het paard toont bij een acute volledige fractuur vaak een ernstige kreupelheid maar wil meestal het been nog wel belasten. De kreupelheid wordt over het algemeen wel minder na verloop van tijd. In verreweg de meeste gevallen wordt een straalbeen fractuur aangetroffen in het voorbeen. De diagnose kan gesteld worden na het uitverdoven van de ondervoet en het maken van röntgenfoto’s. Bij een volledige breuk is de breuklijn meestal duidelijk zichtbaar omdat de botstukjes een beetje uit elkaar komen te liggen.

De behandeling bestaat uit boxrust eventueel kan een ijzer gebruikt worden met drie of meer lippen zodat het hoefmechanisme beperkt wordt en daarmee de bewegingen in de hoef. Soms wordt ervoor gekozen om de hoef wat steiler te zetten met behulp van een wig, dit zou de druk op het straalbeentje verlagen maar hierover zijn de meningen verschillend. Ook wordt er soms gebruik gemaakt van een cast om de hoef te fixeren.

Tegenwoordig zijn de verbandmiddelen om een breuk te immobiliseren steeds beter. Het ouderwetse gips heeft als nadeel dat het een dikke laag is en dat het zwaar is, niet tegen vocht kan en kan breken. Er zijn nu steeds modernere kunststoffen verkrijgbaar die dezelfde hardheid kunnen behalen als gips, maar op de andere gebieden veel betere eigenschappen hebben.

Hoe dan ook duurt het herstel lang en worden er boxrust periodes aangegeven van 4 tot 6 maanden. Na controle van het herstel van het straalbeentje met behulp van röntgenfoto’s kan het paard langzaam weer gaan bewegen, om te beginnen met stappen aan de hand.

Kootbeenfractuur

Het kootbeen is te vinden in alle vier de benen en scharniert met het pijpbeen om zo het kootgewricht te vormen. De oorzaak van een fractuur of fissuur van het kootbeen is hetzelfde als bij de meeste andere fracturen. Ongevallen, vastliggen, verstappen e.d., maar bij het kootbeen zien we ook 2 meer specifieke oorzaken. Het pijpbeen en het kootbeen passen in elkaar op een manier die een beetje te vergelijken is met een schroevendraaier en een schroef. Hierbij is het pijpbeen de schroevendraaier en het kootbeen de schroef. Met een schroevendraaier kun je heel veel kracht opbouwen zodat je een schroef het hout in kunt draaien. Een soortgelijke kracht kan er ook ontstaan als het paard een relatieve kleine en onschuldige verstapping of verdraaiing maakt. Er kan dan een enorme torderende (draaiende) kracht komen te staan op het kootbeen waardoor een prima gezond kootbeen bij een relatief kleine verdraaiing spontaan kan breken. We zien dan ook relatief vaak op de röntgenfoto een kootbeen met meerdere breuklijnen, een communitieve fractuur (verbrijzeld). Gelukkig komt dit niet zo heel vaak voor, maar breuken in het kootbeen zijn wel een van de meest voorkomende fracturen.

Normaal kootbeen Gebroken kootbeen

Foto 5 toont een links röntgenfoto van een normaal kootbeen en rechts een foto van een paard met een gebroken kootbeen. Er zijn meerdere breuklijnen te zien en we hebben hier dan ook te maken met een communitieve fractuur oftewel een verbrijzeld bot. De weke delen zijn op deze foto duidelijk te zien omdat ze sterk gezwollen zijn als gevolg van dit trauma. Tevens is te zien dat de botstukjes niet meer goed op hun plek liggen. De vooruitzichten voor dit paard waren dusdanig slecht dat besloten is om het dier in te laten slapen.

Daarnaast komen er ook de zogenaamde “stressfracturen” voor in het kootbeen. Deze ontstaan door langdurige overbelasting van dit botje door te zware training.

Een enkelvoudig fractuur kan vaak met behulp van een plaatje en schroeven goed gefixeerd worden. Dit geldt ook voor sommige meervoudige fracturen. Sommige breuken kunnen ook prima behandeld worden met behulp van een cast (soort gipsverband). De vooruitzichten zijn afhankelijk van hoe de breuklijn verloopt, of er gewrichten bij betrokken zijn wat meestal wel het geval is, of er artrose in de betrokken gewrichten ontstaat, hoe de genezing verloopt en hoeveel breuklijnen er zijn. Het kootbeen kan zichzelf wel goed herstellen omdat aan de voorwaarden zoals voldoende botvlies van waaruit nieuwe cellen aangevoerd kunnen worden en een goede doorbloeding wordt voldaan.

Pijpbeenfractuur

Samen met het kootbeen is het onderste deel van het pijpbeen (foto 2 en 3) de plaats waar het meest frequent fracturen aangetroffen worden. Het pijpbeen breekt meestal door verstappen, een ongeval of vastliggen. Omdat dit bot vrij lang is en de botdelen op de plaats van de breuk daardoor vaak vrij beweeglijk zijn en scherp zien we bij deze breuken regelmatig verplaatsingen van de botdelen ten opzichte van elkaar en kunnen de scherpe delen door de huid heen steken. Daarom is het zeker bij verdenking op een fractuur van het pijpbeen zeer belangrijk om het been goed te immobiliseren voordat het paard op transport gaat naar een kliniek.
Verder geldt voor de genezing en behandeling in grote lijnen hetzelfde als voor het kootbeen.

Hoefbeenfractuur

Het hoefbeentje is het onderste botje in het paardenbeen en is te vinden in de voor- en achterbenen. Breuken in dit botje ontstaan in de regel ook als gevolg van een verstapping of ander ongeval. Het paard toont direct na het ontstaan van de breuk een matige tot ernstige kreupelheid. Ook kan het zijn dat het paard de hoef niet meer wil belasten. Soms wordt de kreupelheid in de eerste 24 uur erger doordat er zwelling rond de breuk ontstaat. Er is weinig ruimte in de hoef dus de zwelling zorgt voor drukpijnlijkheid.

De hoef kan wat warmer zijn en er kan een digitale pols voelbaar zijn. De digitale pols is te voelen in de kootholte waar een bundeltje van vaatjes en zenuwtjes loopt aan de binnen en de buitenkant. Net als bij een zwerende vinger die klopt doordat het lichaam meer bloed wil aanvoeren naar het ontstoken of beschadigde gebied gaat het slagadertje dat richting de hoef gaat ook harder kloppen.

Het is niet altijd eenvoudig om direct de diagnose te stellen tenzij je hebt gezien dat het paard zich verstapt en daarna ernstig kreupel is. Dan zal eerder aan een fractuur gedacht worden. Het beeld van een zoolzweer, zoolkneuzing en hoefbevangenheid kunnen soms niet in eerste instantie onderscheiden worden van een fractuur van het hoefbeen. Mede omdat een hoefbeenfractuur gelukkig niet zo vaak voorkomt. Röntgenfoto’s zijn nodig om de diagnose te bevestigen.

Hoefbeenfractuur Hoefbeenfractuur

Foto 6 toont een röntgenfoto van een paard met een hoefbeenfractuur. In de rechterfoto is met een grijze lijn aangegeven waar de breuk loopt. De breuk is niet intra-articulair, de lijn loopt niet door tot in het hoefgewricht.

De therapie kan bestaan uit boxrust en aangepast beslag, waarbij het paard op een ijzer wordt gezet met 3 of meerdere lippen. Hierdoor wordt het hoefmechanisme zoveel mogelijk stil gelegd waardoor er zo min mogelijk beweging in de hoef is en het hoefbeentje de kans krijgt om te genezen. Ook kan er gebruik gemaakt worden van een cast (zie straalbeenfractuur). Een andere mogelijkheid is een interne fixatie waarbij het hoefbeentje wordt vastgezet met behulp van een schroef.

aangepaste beslagFoto 7 toont het aangepaste beslag dat vaak gebruikt wordt ter behandeling van een hoefbeenfractuur. Door het gebruik van extra lippen neemt de beweeglijkheid in de hoef sterk af en kan het hoefbeen beter genezen.

De vooruitzichten van een hoefbeen fractuur waarbij de breuklijn niet tot in het gewricht loopt is vrij goed. Het hoefbeen heeft op zich goede herstel capaciteiten. Breuken waarbij het hoefgewricht betrokken is hebben een minder goede prognose vanwege de kans op ontwikkeling van artrose in het. In deze situatie wordt ook vaker gekozen om het hoefbeentje vast te zetten met een schroef.

Naar boven Disclaimer Paard en Gezondheid