Rhinopneumonie

Rhinopneumonie wordt veroorzaakt door het Equine Herpesvirus (EHV).

Achtergrond
Rhinopneumonie wordt veroorzaakt door het Equine Herpesvirus (EHV). Rhinopneumonie is een infectie van de voorste luchtwegen en treedt met name op in het najaar en winter als de paarden weer bij elkaar op stal staan. Dit geldt overigens voor allerlei infectieziekten die bijvoorbeeld verkoudheden kunnen veroorzaken.Tijdens de stalperiode, staan er veel paarden in een relatief kleine ruimte en kunnen virussen makkelijk verspreid worden van het éne naar het andere paard. De tijd tussen het moment dat het paard geïnfecteerd raakt met het virus tot het begin van de ziekteverschijnselen, oftewel de incubatietijd, bedraagt enkele dagen tot ruim een week.
Er zijn twee typen herpesvirus; EHV-4 en EHV-1. Beide typen kunnen luchtweginfecties veroorzaken. Daarnaast kan EHV-1 ook abortus veroorzaken en het zenuwstelsel aantasten met mogelijk ataxie (incoördinatie) tot gevolg.

De verkoudheidsvorm
De verkoudheidsvorm is de meest voorkomende vorm. Over het algemeen verloopt deze vorm heel onschuldig. Wanneer het paard geïnfecteerd raakt met het Equine Herpes Virus, zal het paard na enkele dagen tot ruim een week ziekteverschijnselen tonen. Het paard is ziek, waardoor het minder goed wil eten, heeft een lichte temperatuursstijging tot hoge koorts, de lymfeknopen zijn gezwollen, het dier kan dikke benen hebben, heeft heldere tot geelgroene neusuitvloeiing en ook de ogen kunnen tranen. In de meeste gevallen is de infectie heel mild, waardoor deze nauwelijks opgemerkt wordt. Soms “gaat er alleen een hoestje door de stal”, waarbij een klein aantal paarden wat duidelijkere verschijnselen van een verkoudheid laten zien. In de meeste gevallen zijn de symptomen binnen een paar weken weer voorbij. Tenzij er een secundaire bacteriële infectie ontstaat. Een bacterie alleen maakt weinig kans om de luchtwegen te infecteren. Infecties met virussen maken een weg vrij voor bacteriën zodat deze de kans krijgen om aan te slaan. Bij een secundaire bacteriële infectie blijven de symptomen langer bestaan en zal er eventueel een antibiotica kuur gegeven moeten worden.

De abortus vorm
Wanneer een drachtige merrie in aanraking komt met het Equine Herpes Virus kan de baarmoeder geïnfecteerd raken. Het virus verspreidt zich en infecteert de foetus (ongeboren veulen). In de meeste gevallen heeft dit abortus tot gevolg of wordt er een zeer zwak veulen geboren dat vaak binnen enkele dagen sterft. Het virus en de schade die het veroorzaakt heeft kan aangetoond worden in bepaalde organen van de geaborteerde vrucht. De merrie aborteert vaak pas een aantal maanden na het doormaken van de EHV infectie. Wanneer de merrie hoge koorts krijgt, kan ze ook binnen een paar dagen aborteren. Dit komt dan meestal door de koorts op zich waarbij bepaalde hormonen (prostaglandinen F2α) door het lichaam aangemaakt worden die een abortus kunnen veroorzaken. Het is ook mogelijk dat er een veulen geaborteerd wordt terwijl het virus niet aangetoond kan worden in de organen van dit dier en waarbij geen schade veroorzaakt door het virus gevonden wordt. Waarschijnlijk is dit het gevolg van een ontsteking van de bloedvaten in de placenta (moederkoek) en de baarmoederwand, waardoor het veulen onvoldoende van voeding en zuurstof voorzien kon worden.

De neurologische vormDe neurologische vorm waarbij het zenuwstelsel aangetast wordt komt relatief niet zo vaak voor. Door beschadiging van het ruggenmerg kunnen paarden verlamd raken. Neurologische Vorm Dit begint meestal met een wat slappe staart en atactisch lopen, alsof het paard dronken is. De ataxie ontstaat vrij snel en toont zich bij ernstige gevallen niet alleen in de achterhand maar ook in de voorhand. Paarden kunnen dusdanig verlamd raken dat ze gaan liggen en niet meer overeind kunnen komen. Ook blaasverlamming en het niet meer kunnen mesten zijn symptomen die bij deze vorm horen.

Foto 1: Bij dit paard wordt een test uitgevoerd om te controleren of de reflexen nog goed werken. De achterbenen worden gekruist en belast. Wanneer het paard gewicht op beide benen zet en deze houding niet corrigeert door weer “normaal” te gaan staan wordt de test positief genoemd en kan dit betekenen dat het paard ataxie heeft.

Gedacht wordt dat bloedvaatjes in het zenuwstelsel beschadigd raken door de infectie met het virus of door het vastlopen van virus-antilichaam complexen, hierdoor ontstaat zwelling en schade van het ruggenmerg. Antilichamen zijn eiwitten die gevormd worden door het lichaam om indringers zoals virussen en bacteriën te bestrijden. Een antilichaam koppelt zich vast aan het virus zodat er complexen van virusdeeltjes en antilichamen kunnen ontstaan. Die zijn vergelijkbaar met hele kleine klontjes die vast kunnen lopen in nauwe bloedvaatjes.

De oogvorm
Heel zelden wordt de oogvorm geconstateerd. Het oog raakt geïnfecteerd waardoor er witte vlekjes op het hoornvlies ontstaan. Deze plekjes moeten goed behandeld worden omdat het hoornvlies anders blijvend beschadigd kan raken. Daarnaast kan het voorkomen dat er geen afwijkingen te zien zijn aan het oog, maar dat het paard (tijdelijk) een verminderd of totaal verlies van gezichtsvermogen heeft. Meestal betreft dit één oog.
Besmette paarden blijven drager van het virus en kunnen het virus verspreiden. Hierdoor komen op bedrijven waar meerdere paarden bij elkaar gehuisvest zijn, gedurende het hele jaar opnieuw infecties voor. Oudere paarden hebben door deze herinfecties meestal voldoende weerstand opgebouwd tegen het virus.
De verspreiding van het Rhinopneumonie virus vindt voornamelijk plaats door direct contact tussen paarden. Het is wel mogelijk dat mensen de besmetting overbrengen van het éne paard naar het andere paard na contact met bijvoorbeeld besmet geaborteerd materiaal of wanneer besmette kleding gedragen wordt. Door douchen, schone kleren en schone schoenen kan het overbrengen van besmet materiaal vrijwel worden uitgesloten. Het passeren van paarden op straat of in het bos is geen mogelijke bron van besmetting indien voorkomen wordt dat de paarden aan elkaar ruiken.

Diagnose en Therapie
Aan de hand van het verhaal van de eigenaar over het ziekteverloop en de klinische symptomen wordt de waarschijnlijkheids diagnose ‘virusinfectie van de voorste luchtwegen’ gesteld. Het virus kan aangetoond worden door het nemen van een neusswab (uitstrijkje hoog in de neus). Belangrijk is dat dit gedaan wordt als de paarden koorts hebben. Ook kan geprobeerd worden om het virus aan te tonen door middel van bloedonderzoek. De eerste bloedafname moet tijdens de koortsfase plaats vinden en de tweede afname 3 weken later. In het bloed kunnen dan antilichamen aangetoond worden tegen het Rhinopneumonievirus. In het eerste bloedmonster zullen nog maar weinig antilichamen geteld kunnen worden, terwijl het aantal antilichamen in het tweede bloedmonster flink gestegen zal zijn.

Er is geen echte therapie tegen het virus dat Rhinopneumonie veroorzaakt. Wel kan het paard ondersteund worden door bijvoorbeeld het geven van een koortsremmer in geval van hoge koorts. Vaak is therapie ook niet nodig. In de regel herstellen paarden heel snel en volledig van de verkoudheidsvorm. Bij de abortusvorm wordt het veulen geaborteerd, dood geboren of wordt er een heel zwak veulentje geboren. Er is geen therapie voor het veulen en meestal toont de merrie geen ziekteverschijnselen. Natuurlijk is het wel belangrijk om in het geval van abortus goed te letten op het afkomen van de nageboorte en of de merrie niet ziek wordt als gevolg hiervan.
In het geval van de neurologische vorm is er eigenlijk ook alleen een ondersteunende therapie. Paarden waarvan het zenuwstelsel aanzienlijk beschadigd is door de infectie moeten zeer intensief verpleegd worden, waardoor ze geheel of gedeeltelijk kunnen herstellen. Het herstel neemt wel lange tijd in beslag.

De verpleging en behandeling van een paard dat lijdt aan de neurologische vorm bestaat uit:

  • Er moet op gelet moet worden dat het paard voldoende water en voer binnen krijgt. In ernstige gevallen kan het paard niet meer opstaan en zal het water met behulp van een emmer aangeboden moeten worden.
  • Er moet voor gezorgd worden dat het paard zichzelf niet kan beschadigen. Dus moet het paard geplaatst worden in een ruime box met een goede bodembedekking.
  • Bij blaasverlamming moet de blaas regelmatig geleegd worden met behulp van een katheter.
  • Indien het paard moeilijk kan mesten, kan het paard gelaxeerd worden door middel van het toedienen van paraffine. Paraffine wordt via een maagsonde, die door de dierenarts via de neus ingebracht wordt, aan het paard gegeven. Het is een olieachtige vloeistof die ervoor zorgt dat de passage van darminhoud makkelijker verloopt.
  • Wanneer het paard een dusdanige rectum (endeldarm) verlamming heeft dat het helemaal niet meer zelf kan mesten, moet de mest uit het rectum verwijderd worden.
  • Antibiotica kan toegediend worden om secundaire infecties met bacteriën te voorkomen.
  • De verlamming ontstaat door schade in het ruggenmerg veroorzaakt door een ontstekingsreactie. Geprobeerd kan worden om deze te remmen met corticosteroïden. Corticosteroïden hebben een ontstekingsremmende en een sterke zwellingsremmende werking.
  • Vitamine B kan toegediend worden omdat het het herstel van zenuwweefsel bevordert.
  • In enkele gevallen zijn er wel eens virusremmers toegediend aan paarden. Het is nog niet duidelijk of en in welke mate dit een gunstig effect heeft.

Bij de oogvorm kan het aangetaste oog behandeld worden met zalf dat een virusremmend middel bevat. Gedurende de eerste dagen moet het oog 6-8 maal per dag gezalfd worden. Wanneer na enkele dagen verbetering optreedt dan kan er minder vaak gezalfd worden. In totaal zal er minstens 3 weken behandeld moeten worden.

Preventief
Doordat op een stal waar Rhinopneumonie een rol speelt regelmatig opnieuw infecties op zullen treden, hebben veel paarden een redelijke weerstand. Het apart zetten van zieke dieren heeft dan ook weinig zin. Mede omdat het virus heel snel “door de stal gaat”. Vaccineren van een paard Vaak worden paarden twee maal geënt tegen Rhinopneumonie met een tussentijd van 4 tot 6 weken, waarna de enting ieder half jaar wordt herhaald. Waarschijnlijk is dit genoeg om verkoudheden veroorzaakt door dit virus voor een groot deel te voorkomen. Geadviseerd wordt om drachtige merries om de drie maanden te vaccineren. Dit biedt gedeeltelijke bescherming tegen het plaats vinden van abortus.

Foto 2: Het vaccineren van een paard.

Naar alle waarschijnlijkheid is de enting niet of nauwelijks effectief tegen de neurologische vorm. Op stallen waar paarden regelmatig gevaccineerd worden, kunnen bij een uitbraak van EHV toch paarden met verlammingsverschijnselen aangetroffen worden. Wel kan de enting ervoor zorgen dat het virus minder makkelijk “door de stal” kan gaan.
Besmette dieren verspreiden het virus dan minder lang. Daardoor wordt de infectiedruk op een stal lager.
Als er op een stal al een besmetting aanwezig is het af te raden om op dat moment te vaccineren.

Neem contact op met uw dierenarts als uw paard verschijnelen vertoont die kunnen duiden op in infectie met het Rhinopneumonie virus. De ingestelde therapie hangt van veel factoren af. Alleen uw dierenarts kan bepalen welke therapie op dat moment het beste is.

Naar boven Disclaimer Paard en Gezondheid